X
X Andri3sKruisj3s
X
proberende gedichten over Amsterdam
Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit ZuiderAmstel
wij gaan kapot
aan drop
en aan gordijnen.
konijnen
lachen zich hier rot.
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
Grim
Zijriviertje diertje water. Beekje nat wat nat wat
nat. Languit grammetjes vocht. Omgevallen beker
met libatie. En onder een nes, een neus van smalle
oever eventjes omhoog. Tussen reuzensteiltes van
oude steen grachtrecht hergraven, deels verstopt
als ongepast nog middeleeuws. Hier liep ik eerder
vaak door die schoensmalle steeg, over waterlage
kade, bochelhoge sluis Aan het begin geen lange
brug meer, maar gedempt. Aan het einde geweerd:
als een ‘onder de klok’, als een syfillis. Maar in het
middelste, zo hoopvol, dat gebed nog zonder eind.
Damplein
Bouw een dakhoge kasteelmuur voor het paleis,
kopieer er een Appel op met z’n spattend rood
en blauw en geel. Spuit vuurpijlen uit de schoor-
stenen. Dans jazzballet in de burgerzaal. Want ‘t
is allemaal zo grijs en saai, zo nagedaan en grijs.
Laat zoveel ballonnen los als er onderdanen zijn.
Verpak de Nieuwe Kerk in perkament, met grote
meniaturen en met gotische teksten: sittet in die
sonnescijn, en: siet die sonne en die meie, die
bloomen ent cruut. Zet bovenop het monument,
die fallus van ouds, een grootse zon van platina,
die een voortdoend orgasme uitschiet van zilver
en wit licht over het plein. Laat ook al die kleine
steentjes voetstoots verdwijnen: maak een grote
weide met een babytaal fluisterende beek. Gun
het Damrak een tapijt van tulp en hyacint, en het
Rokin een stroom van orchideeën. En tenslotte:
geef de trams de dansende muziek van J.S. Bach.
Explodeer uit je saaie grijsheid weg, Amsterdam.
E—–X—–P—–L—–O—–D—–E—–E—–R!
Oude Kerk
(tikkie tijd terug)
We staken, als het weer niet te hol, niet te driest
was, gekleed in onze zondagsplicht het rak over.
Ter overzij aan wal gekomen, beliepen we in het
moeras de paden, waarlangs op soms ‘n plek wat
hutten hurkten: takken met leem bestreken – die
traag wegzakten in de drassige geschiedenis.Ook
uit het oosten kwamen de mensen moeizaam door
modder en klei. En samen dromden we de houten
kerk binnen, die dreef op het dras. En daar zaten
we op planken banken, de handen biddend in de
schoot. Tot we het kuchen hoorden van de Ford
die afsloeg: onze pastoor, uit Ouderkerk gereden
langs de dunne Amstel. Hij bracht, zij ‘t ook niet
telkenzondaags, de graaf en gravin als lifters mee.
Hij trad in onze zielen en.hij preekte dat er uit het
hout de splinters rond de oren vlogen: wie zonde
begaat, hoort bij ons mensen, maar valt van zijn
pad in het moeras en verdrinkt jammerlijkst. We
zongen, baden en kregen zegen. En ite missa est
deden we voorzichtig onze weg nadien naar huis.
Vondelpark
‘t Is oov’ral poëzie in deze tuin der lusten.
De vogels zingen er hun tekst in hexameters.
De mens spreekt er op rijm. Voor taal is er niets beters
wat groei en bloei betreft, dan deze oude musten.
Vondelpark
De vogels zingen er hun tekst in hexameters.
De mens spreekt er op rijm. Voor taal is er niets beters.
Oudemanhuispoort
De oude mannen bladerden er door hun eerdere
dagen als door zoveelstehandse boeken en lazen
nog wat woorden. Er vouwden ezelsoren, er was
beduimeling en vlek. Maar in de taal van hier en
daar herkenden ze nog feiten en voelen en gedoe.
Welke student ziet nog hun stille glimlach in de
gangen hangen? En wie ziet nog ‘n rimpelvinger
naar wat letters wijzen? Toch, ergens in ’n hoekje
van een zolder zijn de oude geesten saamgezeten
en hoeden handjesvol de snippers nog, die restten.
Ooit treedt ‘n verdwaald student hier binnen, zal
hun levens weder op doen staan: deftig zullen zij
de Poort doorschrijden en de wallen op, om met
hun streng verleden regels, vastgelegd in hunne
boeken, deze wereld te redden van de ondergang.
Keizersgracht
Ik zag, en het was februari, een dagpauwoog te
fladder in de grachtentuin: de zon deed er lente
alsof ’t geen winter was. En er stonden twijgen
op botten. Tijd schoof de maanden in elkander.
De poëzie scheen waar geen poëzie moest zijn.
Edoch, aan de overkant van de grachtentuin zag
ik de achterkant van ‘n langgeleden makelaar die
Multatuli ooit tot Batavus Droogstoppel schreef…
Leidsestraat
Hoge huizen kijken vijand naar ons toe. Wie
zijn de criminelen? ZijWij? Zo vaak verveeld
schuiven we van winkelraam naar glazen pui.
Elke dag eender. Altijd stil, altijd chillen we,
staan we te nietsen in een autoloze straat. Er
gebeurt geen Ford meer die ons naar de verte
droomt. Er rijdt geen Volkswagen meer met
oud bloed aan de bumper. Hoe zijn we terecht
geraakt? Drempel over, drempel terug. Krantje,
van alledag, ijsje slagroon of broodje halfom.
Tegen een gevel stikt ‘n halve zak patat frites
(‘t is niet netjes om met volle mond te sterven).
We kijken rond: wie is de moordenaar? ZijWij?
Ach. stond de straat maar vol met volop bomen.
Dan zagen we de hoge, criminele huizen niet.
Leidsestraat
Vanaf de daken van de winkelpanden kijken de
criminelen ons te vijand toe. Kaal het neerzicht.
Zij kijken. Wij schuiven en staan in een autolege
straat waar geen Ford, geen Volkswagen met oud
bloed aan de bumper leeft. Zonlicht werpt leegte
op sierstenen. We maken niet mee. We kunnen
slechts drempel over, drempel terug. Krantje van
alledagen, ijsje slag, broodje halfom. Hier heerst
een verbeeld niets: er is geen vandaan of naartoe.
Tegen een gevel sterft een halve zak patat frites
(het is niet netjes om met volle mond te sterven).
We kijken in de kaalte, voor-/achteruit, omhoog.
Stond de Leidsestraat maar bol met volop bomen:
dan zagen we de criminelen op de daken niet!!!
Max Euweplein
Eerst was er de plaats waar schrijver Walter Brandligt
en vele anderen hun laatste afscheidsbrieven schreven:
luister, je hoort hoe het morgenrood hun levens doodt.
Nu staat erboven geschreven dat de man niet tegen de
wind in moet urineren. En er is dat woud van zuilen (er
goed tegenaan): Het Grootste Urinoir Van Gans Europa.
En dan het benepen winkelplein, niet veel groter dan ‘n
schaakbord, om als een loper snelsnel doorheen te lopen.
Tenslotte vlucht je over de stijlloze brug, genoemd naar
Jan Hein Donner (maar geen Jan). Lang na sluitingstijd
zweven hier de twee geesten die tot de briljantste horen
die ik in m’n leven meemaakte, helaas: zweven vergeefs.
Begijnhof
De middeleeuwse woonkuil van de stad.
De paden zijn met gebeden ingelegd.
De planten bloeien rozenkransen.
God is een oude vrouw met een rollator.
In de goot schamelt nameloos een graf
Het klopjen was zondig en wilde geboet.
Ik loop over haar steen heen.
Over haar steen terug.
Ze vroeg om straf voor hare zonden.
Ik loop nog eenmaal over haar steen
heen.
Schreierstoren
(tikkie tijd terug)
Ik maakte ‘t mee. De stadsmuur werd
uitgezet, met dáár een schrayen houck.
Op die ‹ 90o hoek een corpulente toren.
die, de dikke buik naar voren, vanaf de
Engelse kaai de vijanden fnuiks de weg
verspert Ãck zal terstond omhoog gaen
zien van Schreiers toren, Ghy dienaers,
brengt myn’ helm en harnas by der hand.
Ik maakte ‘t mee. Het krom stomen van
de delen. Het naaien van de zeilen, waar
elke storm in komen kon. De kiel en de
steile masten. De bouw van spiegel, van
boeg. Het breeuwen met de rokende pek.
De Lastaadje was bij die oude wetering
vol zwoegen en zweet: bij zon, bij regen..
Ik maakte ’t mee. Het schip lag rêe bij de
schrayen houck: de vrouwen stonden ten
afscheid aan de wal bereid. De trossen los.
Het schip voer heen op onbekende koers
de verte in, werd kleiner en werd een stip.
Veel schreien. Zal ‘n toren daarnaar heten?
Ach neen, gij Schreierstoren, neen, gij niet.
En zij die derwaarts gaan? Zij en keren niet:
wie uitvaart op ‘n zee van toekomstdromen,
zal nooit nog helemaal zichzelve kunnen zijn.
Amsterdams verkeer
Elke morgen wordt er in de smalle Amsterdamse straten
een stampede van wel honderdduizend stieren losgelaten.
Leidseplein 1948
Ik zit aan de voet van het zonlicht,
drink pils uit een brouwersglas en
kijk naar het onderboomse pleintje
dat omringd is door de melkzaak,
de broodjeswinkel op komst nog,
het koffiehuisje, de fietsenstalling,
de grafsteenhouwerij met winkel,
het Leidsepleintheater, de bar met
portier, ik op een rieten terrasstoel
met een brouwersglas half pils, de
slager, de fruitstal, de taxi’s in de
wacht en door de blinde muur van
de schouwburg. Dit plein is ‘n dorp.
Ik zit aan de voet van het zonlicht.
En ik zie het met m’n geheugen:
ja, hier wandelde LichtLicht met
‘n glas vol taal in de jonge handen.
Nieuwerkerk
Nieuwwestenaren:
onder uw bezige voeten die niets dan tegels
en regels weten, onder het ingeklonken veen
verzonken, moet het verbeten zweten nog zijn
van Krelis, wie geen werk teveel is, en tevens
het prachtig lachen van Marije aiai Marije die
de liefde doet en de was aan de oever van het
leven. In de kleiïge straten spreekt schepen
Pieter de Pier: zijn tinnen ketting van ik ben
om ‘n roestige hals. Uw bezige voeten horen
hun aanwezigheid niet. Maar de waterwolf,
met z’n ogen als een moeras, z’n vacht van
druiphaar, zwierf over de landen. Beet, vrat,
beet, zwolg, vrat aan de oever van het leven,
kauwde op de rillende muren, de kille daken,
braakte het dorp Nieuwerkerk de diepte van
het meer in. Alleen wat werk, wat lach, wat
stem bleef leven. En uw bezige voeten horen
niets: ze zijn bezig met tegels en met regels.
Monument op de Dam
De fallus van Amsterdam.
Een erectie van vrijheid
die eeuwig is gebleken.
Altijd maar onbevredigd,
West-Indisch Huis
Ik hoorde het al: het was een vleeshal.
En ik zie het zo voor me (ik heb vaak
vergaderd daar). Een geslachte glorie,
languit, goed leeggebloed, aan de haak.
In een zaal, op het geaderd marmer, de
van genade steile pakken van de Heren
Negentien, tussen de kleurige gewaden
van de Abomeyse koningen, omgeven
door hun lijfwacht van vrouwen. In de
kelders goudgerande slaven en opeen:
zweet aan zweet, dij aan dij, iemanden
in iemanden, zittend op 1 bil plaats p.p.
Zeevaarders klotsen oproer aan de dijk.
En een bruiswit bruidspaar schroomt de
deuren binnen, slaat elkaar per contract
vol liefde aan de haak.Ik hoorde het al:
het is gebouwd om een vleeshal te zijn.
Tsaar Peter de Grote
‘Ik kwam gegaan over de Zaan en stak in
een wrak huisje. Vier dagen lang bleef ik
er. met zeven voet te lang voor de krappe
bedstee. ’t Was genoeg: ik kwam naar het
schiprijk Amsterdam. En telken morgen
stapte ik met m’n hamer uit m’n kamer in
het Herenlogement naar de scheepswerf,
bouwde, repareerde, leerde. Ik bleef daar
meer dan een jaar als tsaar en timmerman.
En ‘t was raar om een gewone man te zijn
temidden van de timmerlieden en al die
anderen, en om in de avonden dan van de
hooggeboren heren leergierig aan te horen
hoe hun zeepolitiek was, hun geneeskunde.
Ik ging door Amsterdam als twee mannen.
En ach, die twee konden wel dunnetjes uit
me, ik mat in de lengte immers zeven voet.’
Amsterdamse Stedenmaagd
Je draagt een grachtengordel om je
slanke heupen, Mokumiana.
Op je hoogste toren staat een kroon.
De voorjaarshemel is je koningsmantel.
De boom van Anne Frank je vredestak.
Naast je staan twee hoge kruiken
met Amstel en IJ erop geschreven.
Je blijft zo jong als je oud bent:
elk jaar kom je in je voorjaar terug,
wedergeboren als een koningin Beatrix.
Ik heb de dijen van je straten gestreeld,
geademd in al je open ramen,
ik heb in je parken gevoeld,
je plantsoenen gekust.
In je buitenwijken hebben we gelachen,
en ‘n Andrieskruis gespeeld:
een man ligt hijgend op een maagd.
En ongevraagd heb ik gedichten
over je gemaakt: een krans van taal,
een krans van liefde om je hals.
Even probeerde ik weg te komen,
naar Hilversum, naar Enschedé.
Maar ik kon het niet, Mokumiana.
Nee.
Amsterdam
Ik heb in je gewoond dat ik mijn voetzolen
op de schilferhoofden van m’n onderburen
voelde, en de schimmelvoeten van driehoog
op m’n haren. Al het heelal rond me heen
bleek vol met mensen: overal camera’s als
leestekens, overal reptielse richtmicrofoons.
En als ik at, veegde m’n buurvrouw rechts
de klodders van m’n lippen. Door de dunne
huisdeur hoorde ik olifanten trappen lopen.,
Op en neer. Op en neer. Buiten schuurden
de mensen langs m’n leven, gaven zweet af
en okselgeuren. In de straten renden stieren
bloeddoorlopen op me af en de zebrapaden
gaven geen heul. Je hart was oud. Water in
de grachten riekte naar antiek, gevels hadden
de fletse kleuren van bejaarden, en de smalle
stegen glinsterden van rotting. Het was niet
om te doen en ik vluchtte voorgoed naar een
buitenwijk vol groen. Ik woon naast je, stad,
kom nooit meer in je, en toch ben je me dier-
baar zoals alleen de ellende dierbaar kan zijn.
Hologramsterdam
De stad is één toon: gelijk gisteren, gelijk nu.
De straten veranderen niet. De mensen blijven
de massa. De auto’s zijn de eeuwige moord. Ik
zou wel elke dag ‘n andere stad willen zien, ‘n
nieuwe. Maken we die? We leggen een enorme
waard aan in de Noordzee en daarin brengen we
hologrammen van wat de stad zou kunnen zijn:
het is lucht van licht, laser van belazer dat je er
meemaakt. Je grijpt en loopt er dwars doorheen.
Laat meneer fantasie het droomwerk maar doen.
Maandag allemaal baden: ‘n weids sprengendal
van jacuzzi van huis in huis.en vol draperende
nimfen, wulpse engelen. Dinsdag met zwevende
straten en paleizen in de wolken., terwijl prinsen
op witte paarden openbaar vervoer zijn en pages
ons prinsessen voorgeleiden. Woensdag is een
stad van tuinen en kabouters, feeèn die vlinders.
zijn en wensen vervullen. Donderdag wordt het
een uitgestrekt veld van paaseieren met alsmaar
voetballers ertussen. Vrijdag is er op de wallen
achter elk raam een pronte dame geprojecteerd
in \n n explosie van rood. Op zaterdag is de stad
uit louter warenhuizen met de mooiste dingen,
de laagste prijzen. Zondag is er niets, alleen ‘n
wad, ‘n vada vol nada, en daarover plechtigheid.
Wie heeft betere ideeën voor Hologramsterdam?
Hoppe
Ik zag in een droom na de slag bij Vadam
(m’n familie was er later 2x burgemeester)
mezelf met de Romeinen verdwijnen naar
hun villa´s die als luie dieren aan de Amstel
lagen. Daar tot rust komend, dronk ik op een
drempelloos bankje het edele thuisbrouwbier
uit de schedels van overwonnen Germanen.
Ik zag in een droom hoe de Friezen waren
gekomen en de harde g in de taal brachten
en hoppe boppe brulden (wat dat ook mocht
betekenen). En in trouwe, vriend, ik trachtte
rust te vinden in het kloostergebrouwen bier
dat ik in een drempelloos hutje dronk uit
een helm van een overwonnen Kaninefaat. ..
Ik zag in een droom hoe de morgen de nacht
achter zich liet en het Boerenverdriet al die
luidzieke schuitjes met hun oogst en slacht
sluisgewijs spuide naar de stad. En dronk in
een drempelloos sluiguis bier uit de beker.
Ik zag in een droom de volgeladen toesleeën
glijden op de kaden langs de grachten. Aan
de Boerenwetering stonden de iepen in diepe
gedachten. We beluisterden een late merel.
De schemer werd al duister: alleen ’n kaars
flonkerde er nog in het donker. Op het leren
behang stond ’n man met pruik en kuitbroek.
Het zand op de vloer knerste onder z’n lange
laarzen. Ik zag: er lag een drempel.bij Hoppe.
Ik word wakker en ga naar café Hoppe. Het
fabrieksbier was welgetapt: een mooie kraag,
schuimringen later in het glas. Buiten gassen
auto’s. De schoorstenen op de daken spuiten
gevuil. Spui en wetering zijn vaststaand asfalt.
Het zand knerst er nog steeds. De drempel ligt
uitgesleten terzij. Niemand roept Hoppe boppe.
Artis
Heen en wee4r draaft de wolvin draaft heen
en weer draaft de wolvin draaft heen en weer.
alsof geschreven door R.M. Rilke eveneens.
Haar ziel, met vrije wil doorweekt, raakt door
haar doen getekend. Ze is op x miljoen en 13
keer berekend, dan valt ze neer, en wordt ze
grond, wordt aarde die haar doet verdwijnen.
Ik sta aan de andere kant van haar leven, haar
draven: de tralies van tradities tussen haar en
mij. Achter me de dierentuin: in ´n groene zon
vermomde plantage van gekooide bloeddorst.
Ik ben gevangen in de stad van mens en grens,
prooi van wat gedachten, wat gevoel. Ik orden
taal, en ben met vrije wil doorweekt. M´n ziel
raakt door m´n doen getekend. Op x duizend
en 13 gedichten ben ik berekend. Dan val ik,
word ik grond, aarde waarin ik zal verdwijnen.
Mijn gedichten belanden verlaten in de straten:
verregenen, verscheuren in een regen van tijd.
Geen werk onzer handen behaalt eeuwigheid.
Amsterdams bescherm´heilige´
Hij kwam per schip uit onbekende regio
en liet z’n paardje hupp’len op het dek:
Amerigo, Amerigo.
Ginds zong, als elk jaar weer,
de Prins Hendrikkaai verwoed
met duizend kinderen tegelijk
van Mozart en Jan Pieter Heije
het zie de stoomboot, zie de maan.
Hij keek nog even naar z’n spiegelbeeld:
zit alles goed, zit alles recht,
en kan het lijen?
Hij zag zichzelf en dacht:
ik heb je, Abraham, zo vaak ontmoet,
dat ik gevlugt ben in onecht..
Zit alles goed, zit alles recht,
en kan het lijen?
M’n baard is vals,
m’n mijter en m’n tabberd zijn het ook,
Zelfs ben ik niet knokenrestend heilige,
niet beschermheilige van deze stad.
Hij trad aan wal, hees zich te paard,
Hij glimlachte de kinderogen in:
hij was zo echt als hun geloven maar kon zijn.
Stadsschouwburg
Ik was er ‘n kind aan huis: tussen de
coulissen en in hete pluche. Ik trad
de treden naar kleedkamer en naar
amfitheater. Te middag duwde ik de
zware, zwarte deur open, schoof ‘n
meisje naar binnen en later zaten zij
en ik vrijend te spelen in de nok. In
de avonden keek ik de zaal in, die
kon klinken als een aanruisende zee.
Ik vluchtte in kleding van armoede
de stad uit. Ik riep een tekst. Stierf
telkens weer van schrik naast Cesar.
Ik lachte met de lachers, en speelde
met de spelers. Gij toneelkijkers, zag
mij toen kijkend vanuit in uw pluche
ik speelde ja dat ik ´n echt acteur was.
Hortus Botanicus
Groene wurgslangen van lianen hijsen
in de kassen het textieldikke vocht naar
de kruinen die het glazen, door zonlicht
gebatikt dak torst. De lucht is welhaast
drinkbaar en zweet op m’n langse huid.
De kleuren schreeuwen luid als vogels.
En ik duw tegen de tropische warmte:
hier vinden we onze laatste verovering,
de allerlaatste kolonie van Amsterdam.
Nieuwwester sloop
In mijn ogen nieuwbouw nogen lang geen
mensenleven oud wordt alweer gesloopt.
Midden in het morgenlicht om 9 uur vier zeven
slingert zich een sloperskogel
groot als Goliath
in uw ooit duurverworven huis
en vermorzelt de laatste herinnering
die nog huurt binnen de vier muren
van hier uw leven.
Noteert u de tijd: 9.47 v.m.
Intussen heeft de sloop u naar een
vreemde buurt gesleept:
onbekend, ongewend
(zult u ooit uw nieuwe buren
leren tutoyeren?).
In deze ikbendegrootste wereld
wint reus Goliath van kereltje David. Altijd.
De rest is literatuur.
Amsterdamse kelderwoning
In het blurrende grijs van de tijd
heb ik het nog meegemaakt.
De ouwe, opengevouwen dozen op de
vloer van de kelderwoning..
Het beddengoed tegen de zoldering.
Een man in het uniform
van Amsterdams agent,.
een vrouw in het uniform
van Amsterdamse sloof,
vier kinderen in de uniformen
van armoede en niks:
rond een tafeltje en houten stoelen
uit het goedkoopste warenhuis:
‘voor zonder geld: naar de Belt’.
En in een beschimmelde hoek
een man van rimpels: hun god.
Die alleen maar ‘liefde’ stamelde.
Le Canard
Een oud pakhuis in de Spuistraat:
daar hing de kunst zich te vervelen.
Ik heb er nog eens geslapen.
Op de spiraal lagen kranten,
want er was geen matras:
de winter tochtte op m’n heupen,
ik sliep onder m’n dichtjas
(ik bedacht warmte van woorden)..
Naast me lag een gesneuvelde
en huilde als Tmoer Lenk,
zwart van dood, rood van bloed.
Ik levend, hij geschilderd door Constant
(nu deze Cobra dood is, ben ik goud waard).
Stille Omgang
Ze bidden met hun benen,
tellen met hun tenen
de alsmaar amerijtjes.
De nacht doet ssst (= geluid
van een vallende ster).
Zo schuifelen ze voort:
’t is het mirakel dat hen trekt.
Geen woord. Geen woord.
Tienduizend, twintigduizend.
Even ruist de stad van eeuwigheid.
En niet de hostie, die de vlammen
overleefde, is het wonder nog,
maar de omgaanders
met hun biddende benen,
hun maternosterende tenen.
Mokumse meeuwen
(tikkie tijd terug)
Witte zwalken boven een gracht.
Als Stuka’s duiken ze
(de zon aan hun staart)
en grijpen het toegeworpen brood.
Krijst er eentje luid
boven het stadsrumoer uit:
hééé, Jaop, gaoneme fenaofent
naor de sinnemao op de daak,
naokende meewinne kake?
Rijksmuseum
Met een vingerreiking, een zachte g
in de gewrichtjes, schept de architect
door een uiterst dure schuur, de hoge
waardigheid van de zo oude schilders.
Die kijken ons aan door de ingelijste
ogen van meisje en matrone, hoender
en hond, schutter en schout, bruid en
burgemeester, boegbeeld en stier, etc.
Met een diepe indruk in het vlees van
onze ziel dwalen we in het licht van
de zalen, waar geen buiten is, alleen
maar verf te zien. Zo voelen we ons
onsterfelijk: nergens het gevaar van
leven. Zo achten we die almaar ogen
soms wel angstloze miljoenen waard.
Straks lopen we op het Museumplein.
Hier is buiten. Hier woont de dag als
elke dag, als alle, alle dagdagdagen.
Kijk, een voorjaarsvrouw met groene
ogen om in te verdrinken. Kijk, een
lenteman met ogen van vertrouwen.
Kijk, een zonlichtkind dat een bootje
vaart als een droom, en met ogen van
lach en spel. Hoeveel zouden we op
dit groene plein, gelijst in Amsterdam,
voor deze levende ogen willen geven?
We lopen voorbij. We lopen voorbij.
Amsterdamse boerderij
De plechtige voordeur bovenaan de
stoep loerde open. Henk riep
met benepen stem. Maar
hoorde geen woord. Hij liep de gang in,
sloop zacht omhoog langs de trappen
van het huis dat een hoop oud
stond te zijn aan een gracht.
Op zolder klom hij uit ’n raam,
om van de door de achtergevels ingeklemde
resten – allang verbouwd,
en nòg, en nòg – van een
middeleeuwse hoeve
die bijna niemand kent,
opnames te maken.
Dit was toen voor Henk het oudste moment
van Amsterdam
dat hem op de jonge schouder tikte.
Pas eeuwen later zag hij (witgehaard) wat
nog van vóór de stad aardde,
(o ja: dat insluipen is allang verjaard).
Vloyenburgh
Op de voorgrond is riet gegraveerd. Erachter
strekt een giga wateroppervlak van strak en
blak, met soms een nauwelijks rimpelen als
van een baby. Zo breed hier de rivier. Recht
vooruit door perspectief verkleind tot in wat
lijnen een dijk van Sint Anthonis. Met in de
verte enkele bijnabrakke wolken over het IJ.
Ik zie Vloyenburgh boven de gravure, met oe.
Een plaats die aangeplempt werd en gedempt.
Hier is de markt nu, hier het Kunstgebit, en ik
ga er en de handelaren gaan er en duizenden
bezoekers gaan er en de ambtenaren bestaan
er. En wij allen, wij wandelen er op het oude
water. Maar profeteren? Nee, doen we niet.
Amsterdamse grachten
Ik loop met verleden beladen
langs de waterzachte grachten
van de tijd.
De iepen tillen hun vuisten bladgroen
naar het hemelsblauw.
En wie heeft gelijk: groen of blauw,
beneden of boven,
aarde of hemel?
Leven is lopen
langs de waterzachte grachten
van de tijd
tot het kruispunt waar het verkeerslicht
springt van groen op blauw.
Hoofdbureau van politie
Die oude paternosterlift
was nog rond aan ’t gaan.
Een grote rozenkrans
waarin een mens kon stappen,
een mens kon staan.
In de gangen bromden boxen.
Verlos ons van de boze
Verlos ons van de boze.
Verlos ons van de boze.
’t Gebouw was één groot gebed
om de boze uit de stad te lozen.
Verlos ons van de boze.
Verlos ons van de boze.
Verlos ons van…
HOERA!
Rembrandt en de Nachtwacht
Hij droeg het opgerolde schilderij met zijn
twee kompanen naar de Grote Sael van de
Cleveniersdoelen. Binnen sneed hij te-vele
repen (‘zonde van de dure verf’) af van het
linnen, hing het omslachtig reusachtig doek
op aan de muur en werkte alles verder klaar.
Wat rest van een man die werd gestorven?
Een stem die geen stem meer heeft, ogen
zonder blik, gebaar zonder beweging. De
herinnering houdt geen levens vast, alleen
hangt vermoeden in het beeld. dat ze roept.
En dan sterft de herinnering voorgoed. Jij
liet nog schilderijen liggen. Zoals dit: een
korporaalschap. Maar het doel van je leven
en je schilderen is weg uit je Nachtwacht.
Nu komen de tienduizenden door de lucht
over de oceaan (dat is ons wonder) en ze
knauwen hun taal en lopen de straten vol
en kijken naar wat je niet bedoelde. Gaan
huiswaarts: yeah, we saw the Naaitwotch.
Heel soms komt er een man en gooit zuur
over je doek, of hij snijdt erin. We straffen.
We kunnen het beter z’n gang laten gaan: de
Nachtwacht is allang geen Rembrandt meer.
Ik denk wel ‘s: zag ik in mijn tijd die repen
liggen. En ik stel me voor hoe ze hangen in
het Grazell museum. En ik hoor: its maaitie
faain, boys. En nou nee, dan toch maar niet.
Overtoom
(tikkie tijd terug)
Geen schip mocht daar door een sluis
de stad in.komen: de bisschop verbood
het om alle ruzie in te tomen. God had
bestierd dat hier een dam kwam, sprak
hij. Als er één schip over de dam was,
volgden er wel meer. En zo rukten dag
en nacht tricepsuelen aan de spaken van
de windassen en aan de tomen van de
veel te weinig schepen. ‘t Is alles hier
kostverloren, dronken de schippers in
het veerhuis, God heeft wel iets doms
in zijn eigenste bisschop toen bedacht.
IJ
(met een druppeltje etymologie)
Haringen zwemmen
in het water van het ij,
in het ij van het water.
Amerikaanse scharen
krabben over de bodem
in het am van het water,
in het water van het am..
Auto’s duiken met tunnelvisie.
in het water van het aqua,
in het aqua van het water.
Waardige zeeschepen
varen gleuven
in het am van het ij,
in het ij van het am.
Cruisecolossea meren
aan de kades,
die lange vingers
in hrt ij van het aqua
in het aqua van het ij.
Ponten hebben danig
het heen en weer
op het am van het aqua,
op het aqua van het am.
De waterleiding heeft
een waterhoofd:
hij is de haven meester,
baas van am en water,
van aqua en ij.
Scheepvaartmuseum
Hier is stil voor ogen
wat rest van het soms alledaags
en soms bewogen varen
dat we jaren deden, dat we jaren doen.
Hier stromen bij elkaar
alle vertes die in dromen
en in werkelijkheid
bestonden en bestaan,
in afstand en in tijd.
Sail Amsterdam
Masttoppen boven de horizon
fier uit de wateren erachter
en met de tijd in de zwangere zeilen
het verleden naar ons huidig kijken toe.
Steeds nader kwam het dwarsgetuigde schip.
In het kraaiennest de zomerzon.
Op de ra’s stonden de dwergige matrozen
in parade, als figurantjes bij een musical.
Op de boegspriet zwaaiden handjes,
aan de railing gingen mutsjes in de lucht.
Honderden schepelinkjes juichten ons.
En wij stonden aan de oever,
met de zwaarte van het licht
op onze buigende schouders.
Productie 2005 werd als naam
op het schip geschilderd.
Na dagen gekaaid in Amsterdam
laveerde het verleden weer heen.
De naam zakte weg.
De masten zakten weg.
En we wisten, maar zagen het niet:
in de wateren achter de horizon
is niemand meer te boord.
Verleden kent geen levenden.
Betondorp
Een poppendorp:
huizen eigenlijk te benepen
voor architect en supermarktman,
voor voetballer en schrijver.
Gedachten als vogels
stoten hun koppen
tegen de plafonds,
vrijheid zit smal als repen tussen
de geringe kamerwanden,
dromen komen de kleine
straten haast niet door.
Maar:
zet er je fijne meubeltjes neer,
hang je behangetje,
plant er je parmant gezinnetje
in wederzijdse vruchtbaarheid,
leef er je leventje
van hoog of laag allooi
tot de dood je niet meer aangaat -
in het mooiste poppendorp,
het mooiste ooit.
Magere Brug
Een anorexia tussen een straat
en eveneens smalle straat: over
een op z’n breedste rivier. Met
twee klappen die als houten lip
en lip elkaar raken boven water
(wat is het geluid van één klap?).
Alleen fietsen, alleen wandelaars
mogen nog over de brug komen.
Ook driewielers en obesitassiers?
Arent Ianszen
Bij de Leprozengracht gevonden:
een ‘pied de biche’: als van een
hinde. Ruim vier eeuwen lag hij
daar te wachten op weer daglicht..
Met een gekroonde roos achter op
de bak.Twee initialen tonen bijna
uit wiens huis de lepel stamt: A .I.
Zeg ene Arent Ianszen. Met deze
lepel at hij van z’n sterfelijkheid:
plezierde er hart en buik mee. Tot
(gelijk een hinde vlucht de tijd) de
lepel hem geen dagen meer vond,
in onbruik raakte. Arent Ianszen
keerde tot stof. Soms, maar ruim
400 jaar nadien, ademen we A.I.
onwetend met een neusvol in en
snuiten, niezen of pulken hem uit.
Maar z’n lepel overleefde hem.
Molen van Sloten
(opschrift)
Ik maal niet om de olie of het graan.
Ik til het water uit de stad vandaan.
De wind valt in m’n wieken als een valk.
Ik kan de jaren van m’n toekomst aan.
Magirus bus
Leek op een bulldog.
Breed op de banden.
Donkerblauw de huid.
Eén deur en altijd open
voor uit en voor in.
Zomer reisde mee.
Winter passagierde
Zitje bij de open deur,
onafgeschermd.
Hou stevig vast
in de steilse bochten,
val er niet uit.
Anders was je buskaartje
(11 ct, 5 voor 50 ct)
zelfs niet eens nog geldig
voor de straatstenen.
Leek op een bulldog.
Nieuwe Oosterbegraafplaats
Achter dat spijlenhek van de Middenweg
ligt geen wereld meer. Hoor, in dit nergens
is de dood voor elk zoals zij/hij zich dacht.
‘Ik ben boom geworden, bloem en vlinder
en rots en in jou en alles alles, alles, alles.’
‘Er is veel voorbij. ‘t Is wreed, bevrijdend
tegelijk. Wat moet ik van dit alles denken?’
‘Ik lig als ‘t ware in ‘n warm bad van liefde.
Maar ik heb geen ogen, geen handen. Niets.’
‘Ik ben hier op m’n dooie eentje. Ik spook
tussen de takken, en niemand die het merkt.’
‘Elke diersoort heeft z’n eigen stallen. Maar
wat de mens heeft: rauwe vloer, en ’n stank!’
‘Er zijn zóveel mensen hier. En we vloeien
in elkander over. Niets is hier nog eigen.’
‘Het is zoals verwacht. Ik heb nog steeds
dat beest van ik op m’n rug. ’t Blijft zwaar.’
‘Ooit, toen ik nog maar van tijd was, had ik
een geloof van aards. Dat is nu van hemels.’
‘Je zou me als een herinnering kunnen zien.
Meer niet. En dan nog in ‘n ander geheugen.’
‘Ik ben niet het zoemen van een bij, maar
‘n idee dat ik wil zoemen tussen bloemen.’
‘Weet je wat van m’n leven is geworden?
Niets. Helermaal niets. Nada. Niks. Niets.’
‘Mevrouw, hij kwam aan m’n boterham.
toen zette ik hem het broodmes op de keel.’
‘Ik ben hier helemaal niet. Waar ik wel ben,
weet ik evenmin. Heeft doodzijn wel zin?’
‘Niemand kan me nog met letters schrijven.
Ik word gekoesterd door onnoembaarheid.’
‘Ik sta eeuwig bij een weegschaal: gedaan
tegen misgedaan. Er is eeuwig geen uitslag.’
‘Zoals ik dacht dat het zou worden, is het
geworden. Valt dat even tegen. Of mee?’
‘Gewoon, ik loop op de Middenweg, net
als vroeger. Alleen, niemand wil me zien.’
‘Ik misdreef waartoe ik werd gedreven.
Ik leer schuld. Is dat de zin van m’n leven?’
‘Het is fijn zonder lichaam te zijn. Ik kan
zweven, dat kon ik niet tijdens m’n leven.’
‘Ik ben niet schuldig aan m’n leven. Dus
waarom die straf de deugden te poetsen?’
‘Wat had ‘t voor zin om dood te gaan: ik
weet nòg niet waarom ik moest bestaan.’
‘Moest ik ‘m naastenliefde geven? Maar hij
stonk zo verschrikkelijk erg uit z’n oksels.’
‘Met die hoogtevrees is de hemel niks. Ik
lijd overal fantoompijn van m’n zenuwen.’
‘Eeuwigheid is stilstaande tijd. Ik kan niet
bewegen, alleen in m’n zo eeuwige droom.’
In de stad loopt de dichter. Hij weet waar
speciaal hij zal komen: in het hiernataals,
in het diepwitste wit tussen de woorden.
Trompetterssteeg
Zo smal: de smalste.
Voor de ingang
stand eine Lanterne
und steht sie noch davor.
Scheen jaarringen licht
op het Gabon masker
dat aan de wand van
Eugène Brands ’n
vervloeking hing te dreigen.
Eugène leeft niet meer,
zweeft.
Misschien kan hij
de smalte in.
Aan de uitgang, om de
donkere hoek, klinkt:
heilugge Anna,
sieje nog niks komme?
Theo Thijssen
Er was boos geweest. Het leven had het kind
leed gegeven: aardse armoede, verlies, angst,
Er was ook goed geweest. Het leven had het
kind gebaren gegeven van behoeden en liefde.
Zo groeide het groot tot een man met een stem.
Ieder die in onze landen woonde, hoorde hem:
uit armoede bloeit toekomst als een rode roos.
Jorisvloed 1168
Die nacht kwam het water als een vretende
wolf, die z’n poten op ons woon en ons land
zette. De storm joeg door z’n vacht. De slaap
uit onze ogen brekend, vluchtten we. Het vee
verdronk feodaal achter onze angst. Een terp
aan de wetering gaf ons heul. De waterwolf
vrat in het veen en er kwam een brede inham.
We konden nog niet weten dat dit een haven
zou gaan worden: het brede Ammerak, met
daarachter het nog zo sijpeldunne Rokin: die
vloed gaf ons (en ook dat wisten we nog niet)
het begin van een toverstad, van Amsterdam.
Wat bracht die vloed teweeg? Ineens was er
de zee, die ons de wateren handen reikte: nu
kwamen schepen tot ons en we handelden en
deden overslag. We kregen tolrecht. Nadien
hing het Mirakel boven het vuur. Dichters en
schilders werden de ziel van de stad, terwijl
de wereld aan onze zilte voeten lag. Vrijheid
woonde eeuwen aan de grachten. En, raarder
kan het haast niet, tenslotte kwam er Karel
N.L. Grazell, Amsterdams stadsdichter uit
ZuiderAmstel en schreef dit wankel gedicht.
Paleis voor Volksvlijt
Met vol inzicht gebouwd: een paleis van
kristal, bewoond door glazen prinsessen
en prinsen op appelwitte schimmels. Of
zie ik het verkeerd: was het gewoon een
nadoen van een Victoriaans? Vader en
moeder spraken met trots over de jeugd
die zij daar plachten. Maar ai, de brand
vloog in hun tijd, glas knapte, spanten
knapten en volksvlijt zakte in as ineen –
verwrongen bleef over. Maar ver nadien
was er nog die galerij met torens en tuin:
randje binnenstad de romantiek om op ‘n
randje van de nacht te vieren met lippen
die van leven en dijen die van gulzigheid
waren. Het paleis dood? Leve het leven!
De tijd nam tenslotte echter alles mee en
er kwam een bank, gestaafd door goud.
Ai, nu is ook mijn jeugd tot as verbrand.
Concertgebouw: Spiegelzaal
Het was zo mooi: er stroomde een
zilverschuim van luchterlicht uit
de rijen tooiende spiegels en naar
me toe en de voorbije zielen van de
componisten vielen in dat licht aan
m’n voeten. Elke zondag begon er
met für Elise, ’n jongemeisjesdraak,
en dan kwamen de grootmeesters
en essen, deden hun chaconnes en
vocalises. De voorbije zielen van
de componisten vielen als stoeten
woorden en noten aan m’n voeten.
Er hoefde niet meer te moeten. De
zondag was een spiegelkerk. Nu is
‘t merendeels over, aroma van thee
en koffie heeft overgenomen. Het
gemurmul van de mensen, met het
gemurmul van de mensen, met het
gemurmul van de mensen: Mozart
en Bach en Bruch en Pijper nee niet
Mozart en Bach en Bruch en Pijper:
Douwe Egberts! Hang op die dagen
zwart velours voor elke spiegeldeur:
rouw moet dan in ‘t Concertgebouw.
Muziek moet telkendaags gebeuren.
Sonja S.
Ze liep ter Olympiapleinse Sintelbaan al
trainende de 100 m al net zo hard als wie
de snelste in de wereld was. Maar nee, ze
werd niet als man bestempeld. Ze was dan
ook een lust voor het oog en de handen. Als
ze winkelde, stonden de mannen spontaan
te ejaculeren. De stad kreunde zich klaar.
Kom daar ’s om bij die andere net zo snel.
Ze stopte met hardlopen, liet zich vangen.
En trouwde jong. liet haar vruchtbaarheid
bevrijen onder ‘n Californische rozijnenzon.
Openluchtconcert
vondelpark: zwangere groene buik
onder poezenvacht wolken.
mensenvolle zomer wandelt
tussen rijpe bomen.
binnenplaats in het park.
grint, planten. stemmen.
eierschaal van tribunes.
en eierschaal van een tent.
nichtgezicht achter mike.
take your time and break it.
zingende meisjes ernaast,
breed als een bar.
synthesizer met wit gebit.
gitarist maakt serpentines.
drummer wordt hartslag.
zweten van zwarte boxen.
geluid loopt de oren over.
vogels tegen trommelvliezen.
spitsuur van klanken.
soms herkenbaar amerikaans.
rijen van luistermensen.
hierzijnwemensen. neuriërs.
hij hasjt. en zij hasjt niet.
een file van applaus.
voeten. schoenenvol. tenenklem.
balletschoenen dun als huid.
sandalen te lang aan.
gympies verwend door asfalt.
basketbalschoenen, blauw/wit.
rode sok. groene sok.
negerlange neger. blue jeans.
rulle trui. muts van pompoen.
een roofvogel met zonnebril.
een bloem in z’n haar,
om tussen gisteren
en morgen te drogen.
oude nozem, volle buik.
krom naast z’n evenwicht.
grijs als how high the moon.
vloekt hij bij ‘t concert? niet.
meisje in clownsbroek.
mager. klein als een struik.
praat verlegen. groet.
gaat voorbij als een bal.
uilenbrilvrouw. met
peper en zout paardenstaart.
wuift als een tak:
vrienden van dochter.
een hoed om te vergeten.
heupen smal als een beek.
lachen in chocolade.
ogen anders, van tropen.
regenjasgrijze dichter.
gesigneerd in z’n gezicht.
woorden lopen voorbij.
het regent op z’n bril.
binnenplaats in het park.
grint, planten. stemmen.
willen niet eenzaam zijn.
wij willen niet eenzaam zijn.
Coentunnel
Een dubbelloops onder het water.
Met twee monden, elk naar een
kant. Ze spuwen als een mg auto’s
uit, almaar almaar almaar almaar.
Elke werkmorgen om 8.47 rijdt in
de file ‘n zij uit Noord en in een
tweelingfile ‘n hij uit West. In het
diepste van de tunnel gaan zij heel
even naast elkaar. Maar droefenis,
zij zien elkaar niet en nimmer: er
staat een muur tussen beide buizen,
Geen kans op haar zwangerschap,
kinderen, kleinkinderen enz.: een
heel andere toekomst is ons allen.
Tunnelbouwer: hebt u dit geweten?
Olympisch Stadion
Een giga schaal wacht tachtig jaren
al op nieuwe spelen: jaren vol roem
en eer. Je ziet Arie van Vliet sprinten
tegen Jan Derksen: eerst terloops, elk
in coïtus op de fiets, dan een sur place,
langzaam op gang trekken, als een kat
of panter de sprong in het diepe van de
steile rotswand (waar je niet eens op
kon lopen) en dan wie wint de sprint.
En de sintels knerpen onder de voeten
van al je herinneringen: je ziet Koen
en Osendarp (die fout) en Slijkhuis op
de baan gaan. En het spel met Drok en
Dráger en Halle en Rijkaard, Cruijff,
Van Basten. Met Liverpool dat in het
veld van de mist faalde. 16 olympiades
wacht het stadion al. Een giga schaal.
Leidsepleinjeugd
(tikkie tijd terug: 1947)
Er was zoveel zonlicht in die jaren met
armoede, dat ik dacht de toekomst te
zien. Ik zou van schrijven leven. Ik riep
veel jeugd die ik om me heen liet gaan:
meutes van bewondering. Ik begon het
gevecht: de dressuur van de dieren van
de taal, het leren van de weg in mensen
en hun doen. Ik had altijd wel huur, eten,
drinken. Ik biljartte met de woorden en
schaakte met de taal. Ik zag de mensen
leven en waar ze raakten. Hun hart was
open, ik kon het lezen. Zo schreef ik me
naar schrijven toe om van te leven. Zie,
ik ben tachtig, ik schrijf nog steeds: dat
heb ik in dat Leidsepleinse dorp geleerd
tussen de jeugd die ik rond me liet gaan.
Voorjaar in Amsterdam
De lente heeft een corpulente laag
van velerlei bloemen geschoven
over de gebouwen en monumenten
van de hormonale stad.
Door de straten lopen zonnebloemen
als mensenmensenallemensen.
Sommige stralen.
Sommige hebben een hart.
Bouwproject ‘Waterweer’
Die bronzen kop met mijn blik van brons
en dat Thaise offertablet
mogen niet op de bodem van een
nieuwe zee belanden.
En laat de schilderijen van de leseriek
niet verdrinken.
De Steelsii, Plantijns, Moreten en Raphelengii
wil ik niet met de dag doorweekter
zien schrrrscheuren en zinken.
Ik wil de Keurbijbel niet
buiten m’n raam zien drijven.
Oudaen, Helmers, Bogaert en Multatuli
moeten hun
hoofden boven water blijven houden.
Pour en finir avec le jugement de Dieu
van Artaud kan niet tegen overstromingen..
Amo, deleo et deleor van mij moet behouden.
De stemmen met
wapene Martijn,
du coors die doot,
sal nemmermeer gebeuren,
de gouden tros citroenig van couleur,
mijn God, er is geen God,
ik ben geen plant, ik wil geen rust,
de Zee, waarin ik mezelf weerspiegeld zie,
een nieuwe lente, een nieuw geluid,
leeuw van oud licht,
om mijn oud woonhuis peppels staan,
morgen zult gij zeker komen,
drinkplaats van engelen,
de ware blondine is een hoer,
sluit er uw ogen als bloemen bij nacht,
als regen eeuwig en als sneeuw kortstondig,
heer horror,
lieve Jacoba, het regent,
de sleepteen van de tijd,
de zwaarte van het licht,
konijnen lachen zich hier rot,
al die stemmen moeten door kunnen
gaan zonder zondvloed.
Ikzelf wil niet omringd door al mijn jaarringen,
en met alle liefde, met alle
teleurstelling en wandaad tenondergaan
in de Buitenveldertse Binnenzee.
Wordt dit Amsterdam?
Pieremegoggels varen tussen de schoorstenen
met voedsel en slaap te koop voor
bange gezinnen.
Mensen picknicken op hun daken.
Honderdduizenden verdronkenen stinken het
ebben en springvloeden uit.
Overal liggen ogen in de beklemde dakgoten
en storten tranen.
Iepen, die hoog boven het verkeer stonden,
steken vergeefs hun woedende
vuisten bladgroen tegen de hemel op.
De AOW zwemt met een horde van rollators
amechtig temidden van het rollen van
het zilte.
De kisten van de kerkhoven drijven
langs de gevels van de help-help-roepende
grachtenhuizen.
De majesteit is drijf in haar paleis op de Dam
en mompelt hulpeloos dat zij is zij is
bij de gratie de gratie Gods, maar de stem
van het water, overal gehoord,
overstemt haar.
De burgemeester heet nu opperwateraar.
In de Stopera schommelen de dossiers
van de rossebuurtse hoerenboeren.
Alle auto’s rijden onder water: hun
uitlaatgassen borrelen naar boven tussen
de eeuwige bloesem der golven,
het schuim.
Treinen en trams roesten zich naar de dood.
Carillonnende torens steken met hun
bovenlichamen uit het water.
De losgeslagen kap van het C.S. dreigt
te drijven naar de Oranjesluizen.
Artis is een dolfinarium, waarbij wanhopig
overlevenden in de platanen van de Plantage
kijken naar het ieb ieb buitelen van de
dolfijnen tussen nijlpaard en zeerob.
Bibliotheken zijn sponzen die zoveel
te weinig opzuigen met al hun pagina’s.
Het Joodse bruidje ja verdrinkt.
Karel Appels slaan tegen de gevels van
de antiquarische monumenten.
De cello-sonates van Bach gaan verloren
in de stormende golven van de
hoei hoei Van Baerlestraat.
Het beeld van Wilhelmina te paard
wankelt bijna het Rokin in.
Het geheugen van de stad sterffft ffft
langzaam: herinneringen
worden zeldzamer.
De nachten horen de sterstersterren, de
zwarte wolwolwolken en het aangaan
van de stormormormende zee
bij de zowat vergeefse waterweringen.
Horen het zachte huilen van Amsterdam
waar het eens heeft gelachen.
Advies aan de overheid
Wat gaan we doen: dijken verhogen, duinen verhogen?
Nee, een zeshoge en lange woonmuur bouwen van zuid naar noord,
met geld van waterstaat en banken en bouwers.
En de huizen verhuren, verkopen tot project ‘Waterweer’ gratis is
en Amsterdam een blije stad is vol van poëzie
temidden van een Randstad die met rust is gelaten.