Willink

L.S.

In 1940 publiceerde Henk J. Smeding een boek: Het gele huis te huur, een verzameling verhalen van F. Bordewijk, Elisabeth Zernike, Henk Smeding, Anna Blaman, Gerard Walschap, Henriëtte van Eyk, Jef Last, Anne H. Mulder, Anton Coolen en Emmy van Lokhorst over één thema, een geel huis dat op een schilderij stond afgebeeld. Nu, in 2003, sluit ik me met een verhaal alsnog enigszins aan bij deze uitgave, zij het ook zonder huurcontract (en de moleculen van de tijd zijn er sterk in gecomprimeerd).

Karel N.L. Grazell

Het gele huis

(een volstrekte fantasie)

De middag begon als alle middagen. Hij liep de trap op, kwam z’n atelier binnen, zag de ezel waarop het lege doek stond te wachten. Maar al ’n tijd-je voelde de schilder zich hijzouzeggen lamlendig, hoewel het anders was: leeg, geen zin, zoiets. De ambachtelijke regelmaat van dag in en dag uit aan het werk, kort geleden nog zo’n goede dwang om te doen, te presteren, stond ‘m wat tegen: het was hem even te eentonig geworden.

Hij keek naar het nieuw opgespannen doek. Moest hij? Ja, hij moest. Hij had zichzelf nu eenmaal die discipline opgelegd: na de lunch was het tijd om te schilderen tot de eerste schemering naar binnen gleed.

Dat gevoel van alwéér was vorige week begonnen, maar nu, merkte hij, was het wel op ’n hoogtepunt. Hij vermande zich, bedacht: misschien moet ik iets maken vanuit m’n stemming om juist die stemming te doorbreken.

Maar dan: wat moest hij schilderen? Hij ging voor het grote raam staan, dat een beetje schuingeplaatst was in de bovenste etage van het huis. Als hij over de stad keek, zag hij het licht uit bijna het noorden komen. Het viel wat zijdelings op de ezel met het doek. Richtte hij z’n kijken naar be-neden, dan was daar de Singelgracht, de asfaltzwarte Stadhouderskade met over de brug van de Boerenwetering de zijkant van het museum. Het was het uitzicht van alle dag.

Hij dacht na, overpeinsde, terwijl hij daar stond. En ineens kwam het in hem op: hij moest z’n uitzicht aanpakken.

Hij herinnerde zich het huis dat hij van de week nog had geschetst: dat dubbele, gele huis in de Vossiusstraat. Alsof hij er nog nooit langs had ge-lopen, was het hem die dag speciaal opgevallen in de laaggelegen straat, die terzijde van het Amsterdamse stadsrumoer leunde tegen een lang hek, waarachter de struiken en bomen van het park stonden. Dat huis, dat was zoals hij zich nu voelde: leeg, zonder enig opwindend doel, zonder enige toekomst dan altijd hetzelfde, dan semper idem. En tegelijk was het wat anders, dat hij in z’n uitzicht kon zetten.

Hij bedacht: de monotonie van elke middag met weer dat museum, weer die kade en die gracht, zou hij doorbreken, hij zou het huis uit die wegge-doken straat halen en het in z’n uitzicht plaatsen. Sec, zonder dat er een mens te zien was, geen bewoner, geen voorbijganger.

Hij ging op z’n kruk voor de ezel zitten, pakte met de rechterhand een

palet en begon er tubeverf op uit te knijpen, hij mengde er ook wat kleuren op uit potjes die in een grote, platte sigarenkist van Hajenius stonden.

Eerst de ondergrond van het doek, de fundering waarop het huis zou ko-men. Hij borstelde de kleuren met grote streken op het linnen: een abstract geheel, waarvan elke kleur willekeurig leek te zijn opgebracht.

Toen greep z’n linkerhand een smalle kwast uit een van de twee glazen potten met penselen op het tafeltje achter hem. Hij sloeg in z’n schetsboek de impressies op, die hij van het dubbele huis had gemaakt. Dan: een eer-ste opzet. In forse strepen ging de kwast over het doek.

Met een penseel dwars tussen z’n lippen bekeek hij langdurig het resultaat.

Moest het zo ongeveer worden? Nee, niet het hele pand tot en met het dak moest hij doen – het souterrain, de benedenetage en de verdieping met het balkon boven de entree waren genoeg. Zo kwamen die grote, gele gevel-platen beter uit.

Rechts moest een lege ruimte komen, een soort plein op de plek van de gulden snede, en waar nu zowat de Singelgracht was, zou hij nòg wat bouwsels zetten. En daar zou hij ook een wolkenhemel boven kunnen schilderen, die voor het onheilachtig licht zorgde waarin het huis moest staan,. Maar dat alles was nu niet belangrijk, dat kwam later wel.

Hij borstelde de ondergrond opnieuw, over de verworpen schets, en vlugger. Nu wist hij hoe het moest.

Toen schetste hij de nieuwe opzet.

De deurbel ging beneden. Ach ja, die recensent. Er mocht nooit iemand op zijn atelier als hij werkte, maar met deze inktverveler lag het anders. Binnenin zich lachte hij om dat nieuwbedachte woord.

Hij hoorde de straatdeur opengaan, voetstappen op de trappen, wat geroe-zemoes van stemmen.

Hij keek naar rechts, naar de open atelierdeur. Een wat kleine man kwam binnen. Middelbaar. Dun, kort haar, al behoorlijk grijs. Een blozend ge-zicht met wat onzekere ogen. Een donkerbruin pak aan, van dat bruin dat hij als schilder haatte: zo saai, zo burgerlijk zonder diepte of gloed.

Goed’nmiddag, zei de man, ik moest maar doorlop’n, zei mevrouw. Ik heet Van Vleet’n.

‘n Hand geven ging niet: het grote palet zat in de weg.

Heel aardig van u dat ik het mak’n van een schilderij mag meemak’n, zei de man met een wat slordige woordkeus.

De schilder wees met z’n penseel: gaat u op de divan achter me zitten.

Het had iets surrealistisch, vond hij, Jean Cocteau had het kunn’n beden-k’n: het bruine pak boog de man in zithouding naar de divan, de knie’n wat uit elkaar. De arm’n ging’n een beetje slap naast het lichaam hang’n, de lege hand’n legd’n zich op het divankleed. Het ronde hoofd schoof uit de schouders lichtelijk naar vor’n: nee, veel stijl had de man niet. Op de tikkeltje platte neus kwam een lorgnet te staan. Jaja.

De schilder keerde zich weer naar het doek. Hij mengde met zorg de gelen voor de gevel: het licht dat er in de vele nuances over zou vallen, kwam dan wel later, maar hij moest nu al voor de geschikte ondergrond zorgen.

Langzaam kwam het huis tot stand: geroutineerd koos hij de penselen uit, voor hier wat fijner, voor daar wat forser. Hij bouwde de twee hoge erkers die van beneden naar de verdiepingen erboven liepen, met in de ruiten de weerspiegeling van takken, die bomen suggereerden buiten het doek: niets kwam binnen, niemand woonde binnen, De bekijker van het schilderij straks zou buiten staan, hij kon niet het huis in, alleen een bovenraampje moest op ‘n nauwelijkse kier open zijn, dat zou de toeschouwer – als deze goed keek – tot een vage gedachte brengen van: kan het? nee, het kan niet.

Hij schilderde het bordesje dat binnen de gevellijn in de schaduw met klei-ne treden omhoog ging, en liet veel licht op de zuil komen, die het in twee-en gedeelde balkon van éénhoog steunde. De linkerdeur maakte hij dicht.

Het was een heel werk om alles zo op het doek te krijgen als hij wilde, en hij werkte allerlei plekken met een heel fijn penseel bij.

Kom ’s even hier naast me, zei hij tenslotte tegen Van Vleet’n. Hij legde het palet achter zich op het tafeltje, nam op z’n penseel nog wat geel, met Van Dyckbruin gemengd, en pakte onverwacht de arm van z’n bezoeker stevig vast: zie je waar de deur nog open is, vroeg hij, daar ga je in. Op hetzelfde ogenblikwacht duwde hij de man de treden van het bordesje op, de hal binnen. Onmiddellijk schilderde hij de rechter voordeur hermetisch dicht. De man in het bruine pak stond stokstijf, als een durende moment-opname. Z’n keel wilde roepen: help, wil iemand me hieruit hal’n? Maar hij kon niet bewegen, hij was van verf, er kwam niet eens wat gekreun.

De schilder ging weer rustig door met z’n werk. ‘t  Was tijd voor het plein, voor de gebouwen van de achtergrond, en voor de wolken erboven, die het licht maakten, dat hij soms had gezien als er onweer in de lucht was, met een welhaast gelige tint alsof het niet meer van deze aarde was – en voor de vele bruingrijze schaduwen op de gevel en op de straat, met vage wak-ken van dat wonderlijke licht afgewisseld. Tenslotte nam hij wat wit, wat grijs, en liet twee flarden papier over de straat waaien: een beetje filmisch effect, dacht hij, dat accentueert de leegte, de eenzaamheid van dat er geen mensen lijken te zijn. Zo is Van Vleet’n voorgoed verdwenen. Terecht: aan hem had niemand iets.

Toen liep hij bij het huis vandaan, de brug over, huiswaarts. Hij dacht: wat doe je met je uitzicht? Er dwars doorheen lopen, zoals ik nu. Wat doe je met je toekomst? Er dwars doorheen lopen. Hij wandelde het minieme plantsoen, dat decennia later, na z’n dood, naar hem zou worden genoemd.

Het middaglicht dat door het schuingeplaatste atelierraam viel, schoof heel traag dicht. Hij ging op z’n schilderskruk zitten en keek rond: de paletten aan de wand, het statiegeldloze glaswerk met blauw en roze en bruin erin op de plank, de vele geduldige penselen als ruikers in glazen potten, de di-van met het oude kleed, waarop een model kon poseren, het onpersoonlij-ke doodshoofd dat er al sinds de vanitas van de zeventiende-eeuwse schil-ders leek te staan, de flessen, de andere ezels, het kale tekenbord. En daar, bij het slijpsteentje, lag nog steeds het ergerlijke krantenknipseltje.

Hij pakte het, las nog eens hoe hij een knoeier was, die de foto, welke hij van een huis maakte, met mechanische hulpmiddel’n vergroot op het doek bracht en dan de vlakk’n invulde. En hoe hij grauwe wolk’n erbij schilder-de om de burger te epater’n. Dat was slim en simpel! Grote kunst? Cul-tuur? ’t Mocht wat. Bedrog was het. Zwendel in de schilderkunst! Ondertek’nd: Van Vleet’n.

Hij keek naar het doek. Het gele huis stond daar, het was op de een of an-dere manier anders geworden dan het huis dat hij had geschetst in de Vos-siusstraat: het was verhuisd naar het uitzicht van z’n atelier. En vooral: het was in zijn licht geraakt, en dat zo wereldvreemde licht maakte dat het gele huis wel bestond en eigenlijk ook niet. 

Hij had nu een ander uitzicht verworven: en toch weer met puur laatnegen-tiende-eeuwse architectuur, dacht hij, precies zoals hier in de museum-buurt thuishoort, karakteristiek en lelijk tegelijk, een gewoon er zijn. En geen mensen erbij, hoogstens straks een eenzame bekijker van het doek, die dan niet zulke vreemde, irritante ideeën had als m’neer Van Vleet’n.

Ben ik zo’n huis, vroeg hij zich af? Ben ik zo? En blijf ik zo? Hij pakte een fijn penseel. Boog zich voorover. Signeerde (het was als een initiatie):

Willink ‘34

En voelde zich zoals hij was: heel langzaam anders wordend.

29 November 2009
By on 17:42
Rosa Ribes

ROSA RIBES

en het concentratiekamp

                      voor Bep Gomperts-Gerritse

Er stond een heg van dooie rozen:

herinneringen die veel op elkander leken,

zo ver gingen ze terug in de wind.

En de kampgrond was nat van de regen,

en de grond was zwart van het nat.

En uit de modder stak een duimbreed wit

naar m’n herdenkende aanwezigheid:

een stukje bot uit ver verleden tijd.

Was er onder de aarde een abattoir,

een oud abattoir, verzonken in de tijd?

Er vloog een zwarte vogel door me heen.

Ik trok met angst het wit uit de grond:

wat trok ik misschien wel niet mee?

‘t Bleek alleen een lang en modderig bot.

Wat was het, wat zou dat bot dan zijn?

Was het een bot van mensenbeen?

Ik nam ‘t mee naar huis, keek in boeken.

Zoekenzoekenzoekenzoekenzoeken.

Het was een rib, zo zag ik staan.

Een mensenrib en langgestorven.

Ik keek het aan, de dichter keek het aan.

Er ging wat genesis toen klinken.

Ik was ‘t wel niet, maar ik werd ’t toch:

heel even schepper van dood en leven.

De rib werd een beeld in dit gedicht.

O Rosa Ribes, vijfenzestig jaar geleden

heb je in het kamp de dood geleden.

Met je haar, zo zwart als de natte grond,

met je ogen, zo zwart als de tijd.

Er viel een stervende vogel uit je ziel.

O Rosa Ribes, loop nu met mij te lopen,

met mij te lopen in de stad, schat.

Buurt met me de straten van je wonen,

de lanen van je dromen en je toen,

buurt met me in je Rivierenbuurt.

O Rosa Ribes, wat over is van hoe ‘t was.

De Amstel moedert er nog steeds

als moederrivier van de stad zo groot.

De Churchilllaan heeft de tram nu anders

dan die je wegbracht naar de dood.

O Rosa Ribes, de RAI is er voor de heb.

De huizen kijken nu met dubbelglas,

je zou de moffen niet meer horen brullen.

Een reuzenmol graaft metro in de kelders:

straks vreet een anaconda de miljoenen.

O Rosa Ribes, ik raak je met m’n troost.

Want je buren zijn heen, je vrienden heen.

Nieuwe mensen vullen gul hun wensen.

Wat ooit gewend, wat bloeide in je hart,

is nu een dooie roos, een rib van been.

O Rosa Ribes. Niemand ziet je nog.

Je bent alleen nog maar wat beeld,

een gedachte in dit mank gedicht.

En wie wil je nu nog lezen?

O Rosa Ribes.

Karel N.L. Grazell

                               Amsterdams stadsdichter uit ZuiderAmstel

mei 2008


By on 17:36
luchtworels in de regen 1

luchtwortels

in de regen

karel nl. grazell

Het voorjaar regent buiten op z’n echt-hollands. Het regent zoals een mens dat nooit zal kun-nen. ’n Processie van IJsheiligen brengt m’n vriendin in huis: ze is als een natte kat, om uit te wringen. Handdoeken helpen haar in de badkamer, helpen min of meer – terwijl ik wacht en door de ramen kijk. Lange slangen van water lopen omlaag langs het glas, verdwijnen in een grijze diepte, en intussen komen er nieuwe: een evolutie van wat lijkt te leven èn van wat niet meer leeft.

Ik zie het duidelijk: wind is de kracht die beweegt. Daarom gaat de regen in dat buiten-m’n- ramen van linksboven naar rechtsonder.

Na de lunch zit ze op m’n bank. En ik zeg wat over nat. En zij zegt wat over koud. En ik vertel haar het weerbericht van die ijzige sinten Mamertus, Pancratius, Servatius en Bonifacius. En zij zegt: regen… dat doet me aan een verhaal van m’n moeder denken.

Haar moeder. Die was in dat langgeleden 1925 een meisje van acht, dat woonde in Semarang: een Javaanse provinciehoofdstad die bestond uit erven met stenen gebou-wen, waaraan kampongs en sawa’s grensden. Het was geen echte havenplaats, hoewel er twee pieren met havenlichten waren en de stad ook een prauwhaven had. Zeesche-pen konden eigenlijk alleen aan de rede ankeren van deze op twee na grootste stad (tegen 180.000 inwoners) van toentertijds Nederlandsch Oost-Indië.

Doordeweekse dagen zagen het meisje naar school gaan. Ze liep eerst op Karangsari, waar ze woonde, en sloeg dan Karangtempel in.

Ze kwam daar langs het huis van Jacob Perkoetoet en z’n vrouw. Hij werd zo ge-noemd omdat hij Jacobs als achternaam droeg en allemaal vogelkooien had met per-koetoets (onomatopee voor kleine, grijze lachduifjes). Hij droeg altijd die typische mannendracht: een slaapbroek (pyjamabroek dus) van sarongstof en daaroverheen een kabaai van wit batist: daar zaten van die Chinese knoopjes op met tresjes erbij, net als bij een uniform. Het stond er vol potten met rozen. Heel ouderwets zat op el-ke bloem een eierdopje tegen insekten èn tegen de zon. In de bomen die naast de voorgalerij stonden, had hij gevlochten kooien hangen met vechthanen erin: hij hield van hanengevechten.

Twee tuinen verder kwam ze langs het huis van de Kousbroeks. Die hadden twee kin-deren: Rudy zal tien zijn geweest en Mientje zeven. Vaak stonden ze ’s morgens al in de voortuin, klaar om met haar mee te lopen naar de Ursuline zusterschool.

Schuin voor de galerij stond een oude waringin majestueus aanwezig te zijn. De stam was al lang verdwenen en de kroon steunde op een ‘muur’ van luchtwortels die tot ònder het huis zich in de grond hadden gegraven.

Toen, op een morgen, zodra ze bij de hoek van Karangtempel kwam, zag ze het al. Er was een ongeluk gebeurd. De vader van Rudy en Mientje stond met Jacob Perkoe-toet en wat andere buurmannen te sjorren aan de waringin, terwijl aan de overkant van de straat groepjes inlanders stonden toe te kijken.

Ze hoorde het al gauw: de waringin was even eerder zonder bedenkbare reden omge-vallen en had met z’n luchtwortels een deel van de galerij meegetrokken.

Ineens voelde ze hoe haar wereldje van achtjarig schoolmeisje werd bedreigd en ze rende in ’n boog achter de inlanders om, snel naar de beschermende Ursuline klas.

M’n vriendin zwijgt op m’n bank.

Maar wat heeft dat nou allemaal met regen te maken, vraag ik.

Ze vertelt.

’n Jaar of vijftien geleden is ze op zoek naar ‘roots’, zoals dat heet, in Semarang geweest. Ze heeft er een oude Indonesiër ontmoet, die in dat 1925 ’n jaar of vijftien moet zijn geweest.

Deze Indonesiër. Hij herinnerde zich die dag met die omgevallen waringin nog goed: er was vooral onder de inlandse bevolking heel lang over nagepraat. Zo’n boom die zomaar omviel: daar moesten de goden wel de hand in hebben gehad, zeiden ze bij hem in de kampong. Dat kon niet anders. Want iedereen wist dat er tussen de lucht-wortels van die oude waringin een oude vrouw met een open rug woonde.

Hadden de Kousbroeks daar ooit van geweten? Nee, dacht men, anders zouden ze daar toch niet hebben gewoond. ’t Kon natuurlijk ook zijn dat ze er niet in geloofden.

Die oude vrouw, die moest ruzie met de goden hebben gehad. Misschien had ze hen wel vervloekt, dat kon best als je met zo’n open rug moest leven. In ieder geval: de goden hadden haar van haar huis beroofd.

Maar dat was maar een deel van haar straf.

Want direct nadat de waringin gevallen was, had ze zich in de struiken verstopt. Nie-mand kon haar zien. De Kousbroeks niet en Jacob Perkoetoet niet. De buurmannen niet en de inlanders niet.

Maar de goden wel. En die middag brak de moesson uit. ’n Kwade, zoals dat heet, die uitzonderlijk zwaar regende. De hemel liep over met bakken en bakken tegelijk. De waterstralen sloegen loodrecht en zo dik als bamboestengels neer op de aarde. En dan explodeerden ze naar alle kanten.

Het leven werd binnen enkele minuten doorweekt. Iedereen vluchtte naar binnen, want het spattende water deed bijna pijn aan de huid.

De kampongs, de stad, alles verdween achter kali’s van water. Het regende zoals een toean en een njonja dat nooit zouden kunnen. Het regende op z’n echt-indisch… èr-ger nog. En boven die moesson en die loodzware regen hamerde een woedend on-weer op de angst van dingen en dieren, van planten en mensen. Het hamerde onein-dig lang, want het bleef hangen… het was gevangen tussen de bergen.

Ook op die oude vrouw met haar open rug stortte de moessonregen zich. Hij drong de takken uiteen van de struiken, waarin zij zich had verborgen. Gretig doorweekte hij haar versleten sarong en spoelde deze weg. Toen wierp hij zich op haar huid, op het blote ruggenmerg. Hij vrat zich door naar haar nieren, haar hart. Hij rukte aan haar zenuwstelsel: die ijle waringin in het lichaam.

Er zijn mensen geweest, die haar vreselijke kwijnen zagen. Mensen die bij haar weg-smelten onder dat gretige, wrekende water waren, bij het wegsmelten van haar lichaam… tot ze helemaal niets meer was op deze aarde.

M’n vriendin zit op m’n bank, zegt:

En de moesson ging door. De regen regende door. Het water stortte uit de hemel naar de aarde, en de mensen werden onder hun daken gevoelloos, alsof er geen tijd meer was en geen sterfelijkheid. Maar de goden wisten wel beter en regenden op Java, op Semarang, op de luchtwortels van de waringin, die zo ijl leken achter die kali’s van water.

the making of…

Midden jaren negentig vertelt de moeder van vriendin Maud Vogelzang me wat meer over Jacob Perkoetoet, overgrootvader van m’n dochters. Ik had z’n vrouw, ‘omi’, nog even gekend. Enkele maanden later komt Maud alleen bij me. Ze doet me een verhaal over een omgevallen waringin bij Rudy en Mientje Kousbroek in Sema-rang (Rudy is niet de Vijftiger van die naam, maar moet wel familie zijn, bericht de auteur van die naam me een tijdje erna, en een omgevallen waringin is eigenlijk onmogelijk – ja, maar daarom ook dit verhaal).

’s Avonds komt onverwacht epidemioloog/schrijver Pieter Bol langs. Hij is bezig aan een boek over regen. Hij wil ook een verhaal van mij.

Due nacht denk ik. Regen. Omgevallen waringin. Dat wonderlijke omvallen moet maar een buitenwereldse oorzaak krijgen. Ik herinner me hoe Paramaribo’se Margot begin 1963 een verhaal vertelde over het Konings-plein in Batavia: daar stond een waringin waarin een oude vrouw met een open rug woonde. Ik verhuis haar in m’n bedenksel naar Semarang. De regen is dan het middel van de goden om de door haar verminking zeker wel opstandige oude vrouw te vernietigen en de waringin om te doen vallen.

De volgende ochtend komt Jenny bij me om te schaken: ze woonde enkele jaren in Semarang en vertelt me over hoe hevig de moesson kon zijn. Ik kijk in de Bos atlas die ik heb (uit iets voorbij 1925) en vind daarin een klein kaartje van Semarang.

Ik schrijf het verhaal en lees het over.

Het heeft genoeg  regen: eerst werkelijk, vervolgens mythologisch.  Een tweede, even maar geaccentu-eerd gegeven is de waringin die het ijle zenuwstelsel is. De oude vrouw smelt weg in de moesson, de waringin als beeld eveneens (het zenuwstelsel), maar de moesson blijft in het verhaal op de echte waringin regenen: beeld en werkelijkheid raken in elkaar en scheiden zich dan weer.

Enkele dagen later komt Pieter het verhaal halen. Die waringin en dat zenuwstelsel… hij belt me later: hij heeft het gecheckt en inderdaad, het zenuwstelsel bij het heiligenbeen is wel bijzonder fijn vertakt.

De welbelezen Zuidafrikaanse vriendin van Pieter zegt enkele dagen later: I like the stories of Huxley, Maugham and Lawrence most, but if I should have found this story in one of their books, I would have been very pleased.

’n Dichteres die een deel van haar leven in Semarang doorbracht, geeft als commentaar: hij moet in Semarang hebben gewoond.

’n Tijdje nadien verschijnt het verhaal in het blad Moeson. Helaas, door een misverstand – zal ik maar zeggen – met de redactie is het geheel danig geblesseerd geraakt, invalide geworden.

Karel N.L. Grazell


By on 17:28
Uit De Echo

Karel N.L. Grazell is 80 geworden !!

Eerste stadsdeeldichter van ZuiderAmstel Karel N.L. Grazell vierde donderdag 3 april 2008 zijn tachtigste verjaardag. Ter gelegenheid hiervan las hij voor vrienden en bekenden voor uit eigen werk. Ook de grijze dichter van Osdorp, Wim Moerenhout, en Karels voormalig protegé Sylvia Hubers droegen een poëtisch steentje bij.
Sylvia Hubers
draagt sinds 1987 voor en won in 2002 de Dunya Poëzieprijs. In 2003 verscheen de dichtbundel ‘Men zegt liefde’ en twee jaar later ‘Terug naar de apotheker’. Ze werkte met Bernhard Christiansen samen in Platonia, waarmee ze onder andere de voorstelling ‘Neem een ballon’ (2008) maakten.
Wim Moerenhout
is in november 2006 benoemd tot de officiële Grijze Dichter Van Osdorp.
Karel is adviseur Le Pont, een stichting die zich bezig houdt met ontwikkelingswerk in het Afrikaanse Benin. Het was dan ook niet zo vreemd dat Ing. C.P. Berkman, voorzitter,  bouwkundige en Benin specialist van de gelegenheid gebruik maakte om een videopresentatie over de werkzaamheden van de stichting in Benin te geven.

Cadeaus wilde Karel niet, voor wie wel iets wilde doen werd in de gelegenheid gesteld een financiële bijdrage over te maken naar de stichting.

Gedicht dat Sylvia Hubers heeft voorgelezen. . . .

ALS IK DE MOED HEB

Als ik de moed heb
raap ik de klitten uit mijn haar,
laat een pen vallen op het papier,
een postzegel op een envelop
en een sollicitatie is klaar.

Als ik een hoed op heb
ga ik praten met de meneer
van de feestartikelenwinkel;
hij vraagt dan en ik zeg en
voor ik het weet heb ik werk.

Mijn neus glimt
wanneer ik mijn eerste
Neus verkoop.

Onder de toonbank heb ik een biertje,
een plastic biertje en van een kopje
heb ik de helft met het oor.
Als ik jeuk heb
komt dat uit een zakje

en aan alle borsten en billen
hangt een prijskaartje


By on 17:20
Wevers

De Historie van Wevers

Van de week zag ik Vera de Vries op de TV. Ze was hoofdpersoon in een programma Klasgenoten en het was een herhaling uit vervlogen tijden. Het ging om een reünie van een klas van de Christelijke HBS in de Amsterdamse Gabriel Metsustraat (tussen IVKNO: Kunstnijverheidsschool, en de vroegere Brandweerkazerne van Nieuwer-Amstel).
Ik heb haar nooit ontmoet.

Eigenlijk zou Vestdijk de hoofdrol in m’n verhaal moeten spelen, want hij duidde het thema, het verschijnsel waaronder ik in m’n leven zo vaak heb moeten lijden. Maar een thema dat mij gedurende een goed deel van m’n jaren steeds weer raakte, roept om vele situaties en de daarbij elkaar vaak niet kennende personagiën.
Na Vestdijk kan ik in verband met het thema in het boek waar het om gaat (Heden Ik, Morgen Gij, van Vestdijk/Marsman) noemen: Marsman, Wevers. En Vera, ik, die om andere redenen hoofdpersoon in deze authentieke historie zouden kunnen zijn; edoch, als ze voor het verhaal niet beslist nodig zijn, laat ik hen links liggen.
Het thema is aanwezig vanaf rond 1950/1951. De gebeurtenissen kunnen in die tijd een aanvang nemen, bijvoorbeeld bij Marsman. Maar ik kan ook beginnen met terug te gaan naar een drietal jaar geleden. toen ik literair tijdschrift Soma ter hand nam, en dan komt Vera als eerste ons toneel op.
Een schrijver speelt. Een schrijver hanteert. Een schrijver wikt en manipuleert. En ik kies voor dat drietal jaar terug.

In de voorbije tijd heb ik zeven jaar lang en minstens eens per week een klein antiquariaatje geholpen door alle boeken, die er (over het algemeen, en waarom weet ik niet, gratis) binnenkwamen, te taxeren op verkoopprijs. Bovendien meldde ik aan de antiquaarster, een Française, in voorkomende gevallen wat het verband was tussen prijs en belangrijkheid van het betreffende boek (qua inhoud, qua geschiedenis, qua bibliofiele waarde). Literaire tijdschriften hadden over het algemeen geen waarde voor de verkoop en ik kreeg ze gratis mee.
Ik bladerde op een dag in Soma. De deeltjes die ik had, waren al een paar decennia oud. Ik kwam er een artikeltje in tegen over een jongeman die een bezoek aan Vestdijk in Doorn had afgelegd. Dat was bijna uitzonderlijk, want Vestdijk werkte de hele dag uitermate geïsoleerd, zette bij het schrijven zelfs de stofzuiger aan, zodat hij geen storende geluiden kon horen.
De jongeman rapporteerde, als ik me goed herinner: hij had een jonge vriendin, ene Vera de Vries, verteld dat hij een groot bewonderaar van Vestdijk was. Wil je met hem kennismaken, vroeg ze. Maar dat kon toch niet: Vestdijk was een ijzeren vesting? We gaan morgen naar Doorn, zei ze.
Toen ze de volgende dag naar de voordeur van Vestdijk liepen, vroeg hij: heb je een afspraak gemaakt? Da’s niet nodig. antwoordde ze, mijn vader is een oude studievriend van Simon en hij en ik zijn altijd welkom. En voorwaar, de deur werd geopend en daar stond de schrijver, bijna extravert blij
Het verhaal werd geïllustreerd met een foto van het bezoek, ik zag onder meer het meisje: een jaar of achttien, in een wit voorjaarsjurkje.
Er stond nog een opmerking bij het relaas, die me interesseerde: de vader van het meisje was het personage Wevers geweest in de brievenroman Heden Ik, Morgen Gij.
Wevers!
Ik dook terug naar m’n vrijgezellentijd. Ik zag veel vriendinnetjes de revue van m’n verleden spelen.
Met als suppoosten vooral steeds weer twee vrienden: een jonge schrijver en een uitermate geaffecteerde zoon van een confessioneel Eerste Kamerlid.
Ik zag met de ogen van m’n geheugen ’n mooi vriendinnetje. Ze studeerde. Zij en haar ouders (haar vader was medicus) hadden me letterlijk respectievelijk figuurlijk in de armen gesloten. Haar hospita daarentegen… een Groningse kapiteinsweduwe, die waakte over haar huursters, vond mij niks voor dat frêle meisje.

Ik stond vaak in de kamer van dat meisje, keek naar het prachtige uitzicht dat ze had en vroeg dan: wat moet ik met dat uitzicht doen?.
Het was een opwindend-mooie zomer. Maar toen de herfst naderde, kwam er vaag iets vreemds in de relatie tussen het meisje en mij. Geen idee wat. Tot ik ontdekte dat m’n vriend de confessionele kamerzoon nu en dan bij haar geaffecteerd ging koffiedrinken: hij houdt niet van je, hij heeft ook anderen – het gewone recept, onwaar maar werkend. En op een dag kreeg ik een emotionele brief: het was uit. Ik belde een week of zo nadien nog eens aan bij het meisje om haar een pasverschenen bundel gedichten van me te brengen, die aan haar was opgedragen. De hospita deed open en dreigde me boven aan de trap met een mes. Korte tijd later weer hoorde ik dat het meisje een mislukte poging tot zelfmoord had gedaan.
Zowat een jaar nadien woonde ik zo’n beetje samen met een secretaresse van een professor. Die vriendin, uit een roemrijk kunstenaarsgeslacht, werd door Lucebert vereeuwigd. We deden eens per maand een echte Middeleeuwse maaltijd met steeds één of twee gasten. Zo nodigde ik eens de kamerzoon uit. Na alle eten en rituelen riep ik hem ter verantwoording: had hij met dat meisje toentertijd iets gehad? Nee, hij durfde niet met meisjes. Dus hij had geïntrigeerd tegen mij? Ja. Hij bleek het in de loop der tijd bij meer vriendinnen van me te hebben gedaan. Hij had me zelfs een keer trachten te koppelen aan een meisje, waarvan hij wist dat ze syf had. Ik bande hem uit.hij verdween diezelfde dag uit ons openbare leven. Later, toen ik wist wat ik met dat mooie uitzicht moest doen, namelijk er doorheen lopen, zag ik hem: in een uniform, waarmee hij zonder problemen – en heel confessioneel wellicht – president van een bananenrepubliek had kunnen worden. Maar hij was bioscoopportier.

Hij had dat uitzicht bij dat meisje nooit opgemerkt.
Er was veel voorjaar op het Leidseplein. En aan een tafeltje bij de oude bohémien Apie ‘Ík ga me eige baan’ Prins zag ik een leuk jong meisje. Ik ging erop af en zei tegen haar: hallo, zullen we naar een heel speciaal cafétje gaan? Apie vindt dat best goed. Apie knikte oud. En we gingen. Buiten kwam net m’n vriend, de jonge schrijver, aanlopen. Hééé, Karel heeft een leuk meisje. Mee. Mee.
En zo liepen we de mooie voorjaarsmiddag in. Met ons drie. En hij keek naar het meisje. Keek naar het meisje. En zei die hele middag niets. Zei de hele avond niets.
Toen ik haar naar de laatste tram bracht, die voor haar stopte bij het Weteringcircuit, stond ik midden op de Weteringschans met haar te vrijen, ze spinde als een poes op de tramrails, en wat was ze mooi en fris en jong. Ach, m’n vriend wist niet anders te doen dan de auto’s om ons heen te leiden.
Enkele dagen later vertrok m’n vriend naar Parijs: het was de tijd dat heel Amsterdam naar Parijs ging om er in armoede te mogen leven. Cobra-schilders, experimentele dichters. M’n jonge vriend. En ja, ook dat meisje ging een dier dagen, want aldus had ze nu eenmaal besloten – ze ontvlood wat zo poesmooi tussen ons was begonnen.
M’n vriend is een paar jaar geleden overleden. En z’n kinderen maakten een boekje van z’n brieven uit Parijs toen aan z’n moeder. En daarin lees ik hoe hij het meisje in Parijs tegenkwam (Parijs was bijna nog kleiner dan het dorpje Amsterdam) en haar zijn onderdak aanbood, en nee nee, ze hadden geen verhouding. Ik zag ‘m in de betreffende brief zitten met gretige ogen: vriendinnetje van Karel, ooooh… hij had echter niet gedurfd ook maar iets beweging in haar richting te maken.
Een mens moet zich, gezien bovenstaande, afvragen: waren het wel vrienden? Tsja, ik trok bijna dagelijks met hen op, zoals met vele anderen: eigenlijk een meute van adorateurs, waarin deze twee een wat meer vooraanstaande rol speelden. Ik was het jonge talent, ik was degene die van alles meemaakte, ik was de man met de ideeën en het overwicht. Ze trokken achter me aan, zoals de sleep van een koning – niet omdat de vorst zo gek was op een sleep, maar omdat het zo scheen te horen in het leven van een majesteit.
In die ooite dagen kwam dat boek uit van Marsman en Vestdijk. Die brievenroman: Heden Ik, Morgen Gij. Ik las het toen en na een zowat heel mensenleven staat het nog steeds in een van m’n boekenkasten: het is een boek dat m’n boekweggeverijen altijd heeft doorstaan.
Het verhaal in dat boek. Laat ik de hoofdpersonen gemakshalve even naar de twee schrijvers noemen: M en V.
M studeert en is verliefd op een studente Annie. Maar het lukt hem niet haar te veroveren. Er is een Indischgast onder de studenten, Wevers, die wat aan Oosters-aandoende praktijken doet. M vraagt hem Annie te hypnotiseren dat ze verliefd op M is. En inderdaad.
Ze gaan samenwonen in Spanje. Na jaren duikt Wevers daar op en gaat er met Annie vandoor. Ze pleegt tenslotte zelfmoord.
Vestdijk zette die intrige in een psychologisch licht. Twee vrienden, de een verliefd op de ander – maar homofilie paste niet in het cultuurpatroon, dus werd hij verliefd op de vriendin van de ander, intrigeerde die relatie stuk and life ended in disaster, om Nabokov te citeren.
Voilà, dat was wat mij steeds overkwam. Steeds ja, want het gebeurde vaker dan ik bovenstaand meldde. Het was het centrale thema van m’n leven: bewondering of verwerping, er was maar een heel dun grensje tussen. En altijd dezelfde intriges: Karel houdt niet van je, Karel doet het met een ander. En dat terwijl ik een van de trouwste relatiërs was ter wereld ooit gevonden…
Meer dan eens kende een succesvolle intrige ook suïcidale trekjes…
Wevers werd een belangrijke figuur voor me. Hij ging uit veel mensen bestaan: uit vele adorateurs die zich vrienden en collega’s noemden.,
Wie, wat was hij?
Eindelijk, het artikel in literair tijdschrift Soma zette me drie jaar geleden op z’n spoor. Dat meisje in haar witte jurkje was een langgeleden voorjaar, aah primavera, en ze had enkele succesvolle boeken geschreven, wist ik, dus die moest ik maar eens aanschaffen – ze gingen over haar leven en voorzeker stond er dus meer in over haar vader.
In het antiquariaatje lagen ze, verwaarloosd zoals bestsellers na hun bloei worden, en voor haast geen geld.
En kijk eens aan: daar was de vader van Vera. Ja, met Vestdijk samen gestudeerd. Ja, gynaecoloog geworden: eind jaren dertig, begin jaren veertig in Soerabaja. Na WO II naar Nederland gekomen. Beetje Indo, want z’n dochter bleek in 1943 in die thuisstad op Java geboren en hij zat dus kennelijk niet in een jappenkamp – waar Indo\s niet hoorden.
Ik heb een oude vriendin uit een patricische familie die zich ooit in Nederlands Oost-Indië vestigde. Ze kent iedere Indischgast die naar het moederland kwam.
Wie is De Vries, wie is Wevers, vroeg ik haar. Want m’n eerste vrouw is in die tijd in Soerabaja geboren. En m’n schoonzusje van m’n tweede huwelijk.
Hij was de beroemde gynaecoloog in Soerabaja, zei ze. En terwijl ik bedenk dat de wereld klein is, nog kleiner dan het dorp Amsterdam, vertelde ze: ik ben toch een paar jaar geleden met m’n zusje naar Indonesië geweest. Nou, toen zijn we ook naar Soerabaja geweest, naar de kliniek waar De Vries had gewerkt – want hij heeft m’n zusje op de wereld geholpen. We hebben wat grond uit de tuin daar in een potje gedaan en nu heeft m’n zusje dus hier in Holland haar geboortegrond.
Op een koninginnedag zag ik Vera onlangs in de Amsterdamse Beethovenstraat achter een kraampje staan. op de hoek van de weg met de villa, waar ze woonde. Ze liep in de zestig en ze verkocht haar bestsellers, gesigneerd en met opdracht. En ze was nog net zo happy als toen ze wereldberoemd was als de Happy Hooker, Xaviera Hollander, de dochter van Wevers, de dochter van nota bene een gynaecoloog.

Amsterdam, april 2009 – als cadeau geschreven voor de verjaardag (17.4.2009) van Hanneke

Karel N.L. Grazell

Amsterdams stadsdichter uit ZuiderAmstel

drieluik uit zuid

deze grote schaker

In 1988 stierf Hein Donner en werd op Zorgvlied begraven. Hij was bekend als schaakgrootmeester (een kenner zei: hij hoort bij de grootste tien schakers ter wereld, als je de Russen niet meetelt). Hij was bekend als schrijver van columns in de NRC. En hij was de overlevende hoofdpersoon in De ontdekking van de hemel, van Harry Mulisch (goed van Mulisch, hij liet z’n eigen personage doodgaan in het boek).

Ik schaakte tussen ‘51 en ’54 wel met hem, trok met hem soms ook het nachtleven van Amsterdam in – wat gezien onze budgetten niet veel inhield.  Hij had goede waardering voor m’n schaken en m’n schrijven. Ik vond hem – met z’n sterk positioneel schaken, iets dat ik ook aanhing – een van de bijzonderste Nederlanders die ik heb ontmoet (maar wie ben ik). De anekdote over een laste ontmoeting, die ik op deze pagina’s publiceer, is een klein bewijsstuk voor z’n esprit.

Ik was op de begrafenis. Ik zag diverse schaakcoryfeeën, maar ik zal er slechts ééntje noemen: Ben Grapperhauser, tegen wie ik vroeger ook wel speelde. Ik herinner me nog iemand die een anekdote vertelde en een journaliste die op de katheder stond te huilen. Toen togen we in drom naar het graf. Ik weet nog hoe ik net even naast André de la Porte liep, toen ik een grafsteen zag die me onthutste. Daar lag m’n schoolvriendje uit de eerste klas (1A. 1940-1941) van de 2e Vijfjarige HBS-B.

We fietsten elke schooldag met enkele jongens, ook met hem, tussen Stadionbuurt en Roelof Hartplein heen en weer. We zaten samen in de eerste bank, vlak voor het tafeltje van de leraar – en als deze me aansprak en ik moest antwoorden, greep m’n vriendje me soms in m’n kruis. Ik hield me dan uitermate moeizaam in bedwang om straf voor hem te voorkomen.

Na de eerste klas bleef hij zitten en ik zag hem niet meer.

Hein Donner

(Den Haag 1927-Amsterdam 1988)

Hij was niet meer aan zet. Aan legers

koningen (ook de mijne) had hij z’n mat

gedaan en mat is mort en mort is mors.

Maar vandaag lag hij daar, zo languit en

verslagen: een koning die voorgoed was

omgevallen. Vrienden grapten de dood

toe en huilden de dood toe. Maar je gaf

geen ademtocht nog antwoord: ook een

grootmeester is de dood niet meester.

die eerste klas…

Nog twee fietsende genoten uit die jongensklas van de HBS op het Roelof Hartplein. Ze woonden evenals m’n schoolbankgenoot in de Amsterdamse Stadionbuurt. Het waren Lidio Blankstein, de latere hoofdredacteur van Adformatie, en Jopie van de Kar.

Lidio ging met me mee over naar de volgende klassen. Na de vijfde (eind hongerwinter) kregen we ons einddiploma cadeau, maar Lidio deed de vijfde klas liever over en werd alsnog met succes geëxamineerd.

Jopie had geen toekomst.

Hij woonde in de Amazonennstraat 47’, schuin tegenover waar ik jaren nadien Ansje Pont bezocht, de latere Ansje Brandenberg van de NCRV TV en van Het Winkeltje. Hij was een kalme, wat onopvallende jongen met een rond brilletje op. Na de eerste klas zag ik hem niet meer, ik hoorde dat hij naar de Joodse HBS moest (het was toen 1941). Hoe het met hem is afgelopen? Hij overleed, op dezelfde dag als z’n moeder, in 1942 in Auschwitz. Ook de rest van het gezin kwam daar om.

Joseph Hendricus van de Kar

(Amsterdam 1928-Auschwittz 1942)

Wie leeft, weet niet wat doodgaan is.

Hij gist en gist – vergeefs. De doden

weten het en weten het niet – ze willen

echter slechts gelukkig zijn, door ons

herinnerd worden: vaag, weemoedig…

Ach, jij kreeg je sterven zo vroeg reeds

binnen. En wat wist je en wat wilde je?

Nog nauw bekend met droom en daad,

nog nauw gewend de straten naar een

straks, verging je alle leven. Alleen de

dood bleef over: dedooddedooddedood,

eeuwigedood.

                       ‘n Dichter schreef ‘t ooit:

dat God de moordenaars mag vergeven.

* de dichter: J. Presser (J.C. van Wageningen) over z’n vrouw 

dat innerlijk behang

En dan was daar in die klas ook Leo. Hij kwam van de Stadionkade. Hij was een wat slungelige jongen die zich een beetje buiten het klasgebeuren hield en na de eerste klas bleef zitten. Ik had in die tijd heel weinig contact met hem.

Ook hij was Joods, maar overleefde de oorlog. Veel later kwam ik hem wel eens tegen op een media-gebeuren: hij gaf bekende tijdschriften uit en ik zat in de reclame – we spraken dan kort met elkaar terwijl we onze borden vollaadden aan het koud buffet.

En toen, op VUT-leeftijd, ontmoette ik hem in het Vlaams Cultureel Centrum aan de Nes – waar ik in die tijd nogal eens kwam: ik had er geëxposeerd, ik was er als dichter gehuldigd. Nadien kwam hij sporadisch bij me, en ik bij hem. We spraken vooral over die eerste klas, die nog zo’n 19e eeuwse sfeer ademde, en we trachtten het gedicht Mon père ce héros te reconstrueren, dat we ooit uit ons hoofd moesten leren. Veel meer hield het contact niet in, denk ik.

De laatste keer dat ik hem zag, was in z’n begane-grond-woning in de Hectorstraat. Hij had me te eten uitgenodigd. Hij had longkanker, hoestte verschrikkelijk, en hij was heel zwak en latmager geworden: liet zich niet meer op de bank zakken, maar vallen. Terwijl hij in de keuken kookte en hoestte, zat ik te rommelen in een heel oude doos van de NIWIN en bekeek welke boeken hij een veertig jaar eerder had toegezonden gekregen toen hij opgeroepen was voor de acties in Oost-Indië. Kies maar wat je wilt hebben, riep hij. Ik vond onder meer een eerste druk van Hans Lodeizen’s Het innerlijk Behang (hoorde die ook bij de inhoud?): een toepasselijke titel voor iemand met longkanker, zei later nogal cru een vriend van me.

Leo kwam even binnen en zei: neem maar mee. Ik: maar dat is antiquarisch wel wat waard. Maakt niet uit, m’n erfgenamen willen het toch niet.

Ik moet eerlijk zijn: ik heb die avond, gezien z’n hoesten, me moeten vermannen om nog wat te eten.

Onder z’n voordeur, had ik bij binnenkomst gezien, zat zoals bij veel voordeuren een stenen balk van enkele tientallen centimeters hoog. Er lag een halve tegel voor. want kennelijk kon hij gezien z’n zwakte de stap ineens niet meer maken.

We hadden verder geen contact meer: je leest het wel in de vakbladen, had hij bij het afscheid gezegd.

Toen ik kort daarna langs z’n huis reed, was die halve tegel weg.

Leo

Hij had een Joods gezicht, denk ik

(maar had hij het ook ‘via moeder’?),

leefde wat eenzaam buiten z’n jeugd.

Hij kwam de Oorlog overlevend uit

en monter ging hij de Bevrijding in.

Moest in Insulinde (die naam die ons

zo medisch klinkt. maar de grootste

rotzooi in onze vaderlandsliefde werd).

Koos later Goed te Wonen. serveerde

witte puntjes in het porselein servies

bam de cultuur. Z’n gezin besloot op

andere plaats te huizen: hij leek geen

mon père, ce héros au sourire si doux.

Hij was z’n leven lang al eenzaam en

nu ook onhandig in z’n AOW alleen.

Toen stierf hij ademloos. En ontkwam

hij ooit het moffengas, het sneuvelen,

eenzaamheid bleef ‘m tot in de dood.

Karel N.L. Grazell

Amsterdams stadsdichter uit ZuiderAmstel


By on 17:07
Malaparte

Op zaterdagavond 31 januari 1953 wandelde ik met Rita Maréchal over het toneel van de Amsterdamse Stadsschouwburg, elkaar ondersteunend. En niet alleen in de fictie van de Gijsbreght was het bar, ook in de werkelijkheid: de wind blies fiks door onze juten kleding. De pauze benutte ik dan ook om met een jas over m’n to-neelkleding wat hartverwarmende glaasjes te halen bij Leidsepleins café Reijn-ders. Daar stond m’n vriend Pieter Bijhouwer. En hij had kaartjes voor een film van Curzio Malaparte, Il Cristo Proibito, die in bioscoop Alhambra draaide.

Ineens konden me al die Gijsbreghten en Willebords en Klarissen gestolen wor-den. Ik regelde in de Schouwburg meteen een vervanger, schminkte me snel af, trok m’n warme kleren aan, en daar was ik al met Pieter op weg naar de bios.

Het was overweldigend. Het einde sloeg me helemaal. Malaparte zelf riep met een heelalgalm. WAAROM MOET HET BLOED VAN ONSCHULDIGEN WOR-DEN VERGOTEN? PERCHE?

Toen we weer buiten stonden, was het geen tijd om naar bed te gaan. Eerst gingen we naar Saint Germain des Prés van Dorus op het Rembrandtplein, toen naar de Amstel Club. Koffiehuis Het Sterretje in de Amstelstraat was van 4 tot 6 uur in de morgen open. Er werd geen alcohol verkocht, maar Amerikaanse soldaten on leave schonken onze lege koffiekopjes onder tafel vol met whisky. Daarna kwa-men we in Club XIII, waar we gastvrij werden ontvangen door een aantal dames die klaar waren met hun werk.

In de nieuwe ochtend wandelden we door de Leidsestraat op zoek naar (nu  toch noodzakelijke) koffie. De straat was leeg. Er lagen veel takken, en er waren een, twee verkeersborden gevallen.

Het was een surrealistisch straatlandschap.

Tenslotte vonden we een gelegenheid die al open was. De radio stond aan. Om 10 uur  riep het nieuws over overstromingen in Zeeland en ZuidHolland.

M’n vriend Pieter stelde voor meteen naar soosvan het studentencorps  te gaan. NIA was in de Sarphatistraat bij het Frederiksplein, vlak naast een hotel dat op de hoek stond en waar de directeur broer was van een andere vriend van me.

We gingen NIA binnen, er was alleen een huisknecht. Pieter en ik besloten een in-zameling van kleren te gaan houden. Hij belde wat genoten, en een uurtje later begonnen de studenten binnen te stromen. Vrachtwagens werden geregeld, die door de stad gingen rijden om goederen te verzamelen. Alles werd gesorteerd in de kelders van NIA en vervolgens in auto’s geladen, die het naar de rampgebie-den brachten.

Tegen de middag werd ons de leiding afgenomen door een uiterst geaffecteerde figuur. We hadden geen zin met hem in debat te gaan. We werkten. Pieter ver-dween ergens heen. Ik sjouwde. Ik ging maar door en door. Ik sliep niet. Ik kreeg wanneer ik maar wilde, gratis eten en drinken (jenever en koffie) in het belendend hotel. ’n Auto met kleding en schoppen nam me ’s maandags mee naar de Ahoy-hal in Rotterdam.

De wereld was overal ineens heel anders geworden. ’n Chaos die opnieuw werd geschapen. De Geest van Genesis woei over die dagen. De Ahoy ving duizenden en duizenden op. Van een opa hoorde ik: hij had z’n land onder z’n zoons verdeeld en zelf een klein stukje overgehouden. ‘Ik geef ‘t nu maar aan de mensen die niets hebben overgehouden.’ Het was heel erg geweest: ‘de zee scheurde de dijk onder onze voeten uit elkaar, meneer.’ Z’n vrouw kreeg een ultramoderne hoed op haar sneeuwwit boerenhaar en Opa lachte zich er bijna kapot om. Boos gooide ze de hoed weg. Ze vertelde: ‘we hebben hier voor het eerst in ons leven boerenkool gegeten.’

Ik hoorde verhalen. Ik hoorde huilen,.snikken, klagen. Ik hoorde hoe een schipper z’n  schuit ergens in een gat van de dijk had moeten zetten (was ‘t in de Alblasser-waard?), anders was misschien wel heel Holland tot aan het IJ overstroomd. Ik zag de vrijwilligers zwoegen en zwoegen. Het was (en is) om tranen in je ogen te krijgen.

Het werd dinsdag. Ik sorteerde. Sjouwde. Laadde. Ik deed van alles. Ik had nog steeds niet geslapen. M’n hoofd was van staal aan het worden. M’n voeten waren hun moeheid voorbij. Ik zat weer even aan de jenever. Kinderboekenschrijver Bouke Jagt kwam het hotel binnen: hij was in het rampgebied geweest om te werken (hij was ijzersterk: hij had veel van filmacteur Anthony Quinn). ‘Dijken dichten,’ zei hij, ‘soms gebruikten we de lichamen van verdronken mensen daar-voor. We moesten wel: ’t had allemaal zo’n haast.’

M’n aantekeningen uit dat jaar vertellen me dat ik sinds zaterdagmorgen 31 janu-ari 106 uur lang niet sliep. Op het laatst zat ik te eten met rechts ven me een kale muur en die werd ineens een lange tafel met veel linten en ballonnen en bloemen, en rijen volle schotels en tientallen feestende mensen. En toen ging de muur weer dicht. En weer open. Ik wist het: nu moest ik naar huis, slapen. Het lukte me zon-der verdere hallucinaties thuis te komen. Ik ging liggen. M’n  hoofd was van staal. Ik had me zo verzet tegen in-slaap-vallen, dat ‘t me nu het eerste uur niet lukte. Toen sliep ik bewusteloos, 5 uur lang.

Ik stond op. Ik ging naar buiten. Even later kwam ik door de Hobbemastraat en daar was een museum, waar het UVV allerlei werk voor de slachtoffers van de ramp deed. Ik begon opnieuw: weer kleren, 36 uur lang.

Toen eindelijk sliep ik uit.

WAAROM MOET HET BLOED VAN ONSCHULDIGEN WORDEN VERGO-TEN? PERCHE?


By on 17:04
bij Ruud Braggaar, Achter verduisterde ramen

Clio zegt Voorschoten

                                voor Ruud Braggaar

Ik sta hier herinnerend

met aan m’n voeten dit dorp van de tijd.

In de straten en de huizen

groeien en stoeien de dagen

en soms bloeit er klaver van geluk

vierblaads in een tuin.

En elke keer is er verandering:

de paradepassen van de angst verdwijnen weer,

de vogels van de woorden,

altijd eender, altijd anders,

de wind die in de takken waait

van waarheen gaan de gedichten van de lentes,

het willen weten waartoe en waarom.

dat maakt geschiedenis.

In dit dorp van de tijd zie ik

mensen die langs elkaar wrijven,

daden van haat tegenover elkaar.

Gevoel dat kwijt wil. Ziek dat beter wil.

Dood die niet dood.

Ellebogen naast glimlachen bewegen door

de kronieken van uur tot uur.

Tel wat gebeurt. Herinner wat verkeerd gemeend.

Het dorp van de tijd leeft door aan m’n voeten,

de dagen in de straten en de huizen leven.

‘n Verleden te boek mag hopen

op een goede toekomst.

Karel B.L. Grazell

Amsterdams stadsdichter uit ZuiderAmstel

juli 2009


By on 17:03
bij Ruud Braggaar, Achter verduisterde ramen

Clio zegt Voorschoten

                                voor Ruud Braggaar

Ik sta hier herinnerend

met aan m’n voeten dit dorp van de tijd.

In de straten en de huizen

groeien en stoeien de dagen

en soms bloeit er klaver van geluk

vierblaads in een tuin.

En elke keer is er verandering:

de paradepassen van de angst verdwijnen weer,

de vogels van de woorden,

altijd eender, altijd anders,

de wind die in de takken waait

van waarheen gaan de gedichten van de lentes,

het willen weten waartoe en waarom.

dat maakt geschiedenis.

In dit dorp van de tijd zie ik

mensen die langs elkaar wrijven,

daden van haat tegenover elkaar.

Gevoel dat kwijt wil. Ziek dat beter wil.

Dood die niet dood.

Ellebogen naast glimlachen bewegen door

de kronieken van uur tot uur.

Tel wat gebeurt. Herinner wat verkeerd gemeend.

Het dorp van de tijd leeft door aan m’n voeten,

de dagen in de straten en de huizen leven.

‘n Verleden te boek mag hopen

op een goede toekomst.

Karel B.L. Grazell

Amsterdams stadsdichter uit ZuiderAmstel

juli 2009


By on 17:00
andrieskruisjes 2

IJ

(met een druppeltje etymologie)

Haringen zwemmen

in het water van het ij,

in het ij van het water.

Amerikaanse scharen

krabben over de bodem

in het am van het water,

in het water van het am..

Auto’s duiken met tunnelvisie.

in het water van het aqua,

in het aqua van het water.

Waardige zeeschepen

varen gleuven

in het am van het ij,

in het ij van het am.

Cruisecolossea meren

aan de kades,

die lange vingers

in hrt ij van het aqua

in het aqua van het ij.

Ponten hebben danig

het heen en weer

op het am van het aqua,

op het aqua van het am.

De waterleiding heeft

een waterhoofd:

hij is de haven meester,

baas van am en water,

van aqua en ij.

Scheepvaartmuseum

Hier is stil voor ogen

wat rest van het soms alledaags

en soms bewogen varen

dat we jaren deden, dat we jaren doen.

Hier stromen bij elkaar

alle vertes die in dromen

en in werkelijkheid

bestonden en bestaan,

in afstand en in tijd.

Sail Amsterdam

Masttoppen boven de horizon

fier uit de wateren erachter

en met de tijd in de zwangere zeilen

het verleden naar ons huidig kijken toe.

Steeds nader kwam het dwarsgetuigde schip.

In het kraaiennest de zomerzon.

Op de ra’s stonden de dwergige matrozen

in parade, als figurantjes bij een musical.

Op de boegspriet zwaaiden handjes,

aan de railing gingen mutsjes in de lucht.

Honderden schepelinkjes juichten ons.

En wij stonden aan de oever,

met de zwaarte van het licht

op onze buigende schouders.

Productie 2005 werd als naam

op het schip geschilderd.

Na dagen gekaaid in Amsterdam

laveerde het verleden weer heen.

De naam zakte weg.

De masten zakten weg.

En we wisten, maar zagen het niet:

in de wateren achter de horizon

is niemand meer te boord.

Verleden kent geen levenden.

Betondorp

Een poppendorp:

huizen eigenlijk te benepen

voor architect en supermarktman,

voor voetballer en schrijver.

Gedachten als vogels

stoten hun koppen

tegen de plafonds,

vrijheid zit smal als repen tussen

de geringe kamerwanden,

dromen komen de kleine

straten haast niet door.

Maar:

zet er je fijne meubeltjes neer,

hang je behangetje,

plant er je parmant gezinnetje

in wederzijdse vruchtbaarheid,

leef er je leventje

van hoog of laag allooi

tot de dood je niet meer aangaat -

in het mooiste poppendorp,

het mooiste ooit.

Magere Brug

Een anorexia tussen een straat

en eveneens smalle straat: over

een op z’n breedste rivier. Met

twee klappen die als houten lip

en lip elkaar raken boven water

(wat is het geluid van één klap?).

Alleen fietsen, alleen wandelaars

mogen nog over de brug komen.

Ook driewielers en obesitassiers?

Arent Ianszen

Bij de Leprozengracht gevonden:

een ‘pied de biche’: als van een

hinde. Ruim vier eeuwen lag hij

daar te wachten op weer daglicht..

Met een gekroonde roos achter op

de bak.Twee initialen tonen bijna

uit wiens huis de lepel stamt: A .I.

Zeg ene Arent Ianszen. Met deze

lepel at hij van z’n sterfelijkheid:

plezierde er hart en buik mee. Tot

(gelijk een hinde vlucht de tijd) de

lepel hem geen dagen meer vond,

in onbruik raakte. Arent Ianszen

keerde tot stof. Soms, maar ruim

400 jaar nadien, ademen we A.I.

onwetend met een neusvol in en

snuiten, niezen of pulken hem uit.

Maar z’n lepel  overleefde hem.

Molen van Sloten

(opschrift)

Ik maal niet om de olie of het graan.

Ik til het water uit de stad vandaan.

De wind valt in m’n wieken als een valk.

Ik kan de jaren van m’n toekomst aan.

Magirus bus

Leek op een bulldog.

Breed op de banden.

Donkerblauw de huid.

Eén deur en altijd open

voor uit en voor in.

Zomer reisde mee.

Winter passagierde

Zitje bij de open deur,

onafgeschermd.

Hou stevig vast

in de steilse bochten,

val er niet uit.

Anders was je buskaartje

(11 ct, 5 voor 50 ct)

zelfs niet eens nog geldig

voor de straatstenen.

Leek op een bulldog.

Nieuwe Oosterbegraafplaats

Achter dat spijlenhek van de Middenweg

ligt geen wereld meer. Hoor, in dit nergens

is de dood voor elk zoals zij/hij zich dacht.

‘Ik ben boom geworden, bloem en vlinder

en rots en in jou en alles alles, alles, alles.’

‘Er is veel voorbij. ‘t Is wreed, bevrijdend

tegelijk. Wat moet ik van dit alles denken?’

‘Ik lig als ‘t ware in ‘n warm bad van liefde.

Maar ik heb geen ogen, geen handen. Niets.’

‘Ik ben hier op m’n dooie eentje. Ik spook

tussen de takken, en niemand die het merkt.’

‘Elke diersoort heeft z’n eigen stallen. Maar

wat de mens heeft: rauwe vloer, en ’n stank!’

‘Er zijn zóveel mensen hier. En we vloeien

in elkander over. Niets is hier nog eigen.’

‘Het is zoals verwacht. Ik heb nog steeds

dat beest van ik op m’n rug. ’t Blijft zwaar.’

‘Ooit, toen ik nog maar van tijd was, had ik

een geloof van aards. Dat is nu van hemels.’

‘Je zou me als een herinnering kunnen zien.

Meer niet. En dan nog in ‘n ander geheugen.’

‘Ik ben niet het zoemen van een bij, maar

‘n idee dat ik wil zoemen tussen bloemen.’

‘Weet je wat van m’n leven is geworden?

Niets. Helermaal niets. Nada. Niks. Niets.’

‘Mevrouw, hij kwam aan m’n boterham.

toen zette ik hem het broodmes op de keel.’

‘Ik ben hier helemaal niet. Waar ik wel ben,

weet ik evenmin. Heeft doodzijn wel zin?’

‘Niemand kan me nog met letters schrijven.

Ik word gekoesterd door onnoembaarheid.’

‘Ik sta eeuwig bij een weegschaal: gedaan

tegen misgedaan. Er is eeuwig geen uitslag.’

‘Zoals ik dacht dat het zou worden, is het

geworden. Valt dat even tegen. Of mee?’

‘Gewoon, ik loop op de Middenweg, net

als vroeger. Alleen, niemand wil me zien.’

‘Ik misdreef waartoe ik werd gedreven.

Ik leer schuld. Is dat de zin van m’n leven?’

‘Het is fijn zonder lichaam te zijn. Ik kan

zweven, dat kon ik niet tijdens m’n leven.’

‘Ik ben niet schuldig aan m’n leven. Dus

waarom die straf de deugden te poetsen?’

‘Wat had ‘t voor zin om dood te gaan: ik

weet nòg niet waarom ik moest bestaan.’

‘Moest ik ‘m naastenliefde geven? Maar hij

stonk zo verschrikkelijk erg uit z’n oksels.’

‘Met die hoogtevrees is de hemel niks. Ik

lijd overal fantoompijn van m’n zenuwen.’

‘Eeuwigheid is stilstaande tijd. Ik kan niet

bewegen, alleen in m’n zo eeuwige droom.’

In de stad loopt de dichter. Hij weet waar

speciaal hij zal komen: in het hiernataals,

in het diepwitste wit tussen de woorden.

Trompetterssteeg

Zo smal: de smalste.

Voor de ingang

stand eine Lanterne

und steht sie noch davor.

Scheen jaarringen licht

op het Gabon masker

dat aan de wand van

Eugène Brands ’n

vervloeking hing te dreigen.

Eugène leeft niet meer,

zweeft.

Misschien kan hij

de smalte in.

Aan de uitgang, om de

donkere hoek, klinkt:

heilugge Anna,

sieje nog niks komme?

Theo Thijssen

Er was boos geweest. Het leven had het kind

leed gegeven: aardse armoede, verlies, angst,

Er was ook goed geweest. Het leven had het

kind gebaren gegeven van behoeden en liefde.

Zo groeide het groot tot een man met een stem.

Ieder die in onze landen woonde, hoorde hem:

uit armoede bloeit toekomst als een rode roos.

Jorisvloed 1168

Die nacht kwam het water als een vretende

wolf, die z’n poten op ons woon en ons land

zette. De storm joeg door z’n vacht. De slaap

uit onze ogen brekend, vluchtten we. Het vee

verdronk feodaal achter onze angst. Een terp

aan de wetering gaf ons heul. De waterwolf

vrat in het veen en er kwam een brede inham.

We konden nog niet weten dat dit een haven

zou gaan worden: het brede Ammerak, met

daarachter het nog zo sijpeldunne Rokin: die

vloed gaf ons (en ook dat wisten we nog niet)

het begin van een toverstad, van Amsterdam.

Wat bracht die vloed teweeg? Ineens was er

de zee, die ons de wateren handen reikte: nu

kwamen schepen tot ons en we handelden en

deden overslag. We kregen tolrecht. Nadien

hing het Mirakel boven het vuur. Dichters en

schilders werden de ziel van de stad, terwijl

de wereld aan onze zilte voeten lag. Vrijheid

woonde eeuwen aan de grachten. En, raarder

kan het haast niet, tenslotte kwam er Karel

N.L. Grazell, Amsterdams stadsdichter uit

ZuiderAmstel en schreef dit wankel gedicht.

Paleis voor Volksvlijt

Met vol inzicht gebouwd: een paleis van

kristal, bewoond door glazen prinsessen

en prinsen op appelwitte schimmels. Of

zie ik het verkeerd: was het gewoon een

nadoen van een Victoriaans? Vader en

moeder spraken met trots over de jeugd

die zij daar plachten. Maar ai, de brand

vloog in hun tijd, glas knapte, spanten

knapten en volksvlijt zakte in as ineen –

verwrongen bleef over. Maar ver nadien

was er nog die galerij met torens en tuin:

randje binnenstad de romantiek om op ‘n

randje van de nacht te vieren met lippen

die van leven en dijen die van gulzigheid

waren. Het paleis dood? Leve het leven!

De tijd nam tenslotte echter alles mee en

er kwam een bank, gestaafd door goud.

Ai, nu is ook mijn jeugd tot as verbrand.

Concertgebouw: Spiegelzaal

Het was zo mooi: er stroomde een

zilverschuim van luchterlicht uit

de rijen tooiende spiegels en naar

me toe en de voorbije zielen van de

componisten vielen in dat licht aan

m’n voeten. Elke zondag begon er

met für Elise, ’n jongemeisjesdraak,

en dan kwamen de grootmeesters

en essen, deden hun chaconnes en

vocalises. De voorbije zielen van

de componisten vielen als stoeten

woorden en noten aan m’n voeten.

Er hoefde niet meer te moeten. De

zondag was een spiegelkerk. Nu is

‘t  merendeels over, aroma van thee

en koffie heeft overgenomen. Het

gemurmul van de mensen, met het

gemurmul van de mensen, met het

gemurmul van de mensen: Mozart

en Bach en Bruch en Pijper nee niet

Mozart en Bach en Bruch en Pijper:

Douwe Egberts! Hang op die dagen

zwart velours voor elke spiegeldeur:

rouw moet dan in ‘t Concertgebouw.

Muziek moet telkendaags gebeuren.

Sonja S.

Ze liep ter Olympiapleinse Sintelbaan al

trainende de 100 m al net zo hard als wie

de snelste in de wereld was. Maar nee, ze

werd niet als man bestempeld. Ze was dan

ook een lust voor het oog en de handen. Als

ze winkelde, stonden de mannen spontaan

te ejaculeren. De stad kreunde zich klaar.

Kom daar ’s om bij die andere net zo snel.

Ze stopte met hardlopen, liet zich vangen.

En trouwde jong. liet haar vruchtbaarheid

bevrijen onder ‘n Californische rozijnenzon.

Openluchtconcert

vondelpark: zwangere groene buik

onder poezenvacht wolken.

mensenvolle zomer wandelt

tussen rijpe bomen.

binnenplaats in het park.

grint, planten. stemmen.

eierschaal van tribunes.

en eierschaal van een tent.

nichtgezicht achter mike.

take your time and break it.

zingende meisjes ernaast,

breed als een bar.

synthesizer met wit gebit.

gitarist maakt serpentines.

drummer wordt hartslag.

zweten van zwarte boxen.

geluid loopt de oren over.

vogels tegen trommelvliezen.

spitsuur van klanken.

soms herkenbaar amerikaans.

rijen van luistermensen.

hierzijnwemensen. neuriërs.

hij hasjt. en zij hasjt niet.

een file van applaus.

voeten. schoenenvol. tenenklem.

balletschoenen dun als huid.

sandalen te lang aan.

gympies verwend door asfalt.

basketbalschoenen, blauw/wit.

rode sok. groene sok.

negerlange neger. blue jeans.

rulle trui. muts van pompoen.

een roofvogel met zonnebril.

een bloem in z’n haar,

om tussen gisteren

en morgen te drogen.

oude nozem, volle buik.

krom naast z’n evenwicht.

grijs als how high the moon.

vloekt hij bij ‘t concert? niet.

meisje in clownsbroek.

mager. klein als een struik.

praat verlegen. groet.

gaat voorbij als een bal.

uilenbrilvrouw. met

peper en zout paardenstaart.

wuift als een tak:

vrienden van dochter.

een hoed om te vergeten.

heupen smal als een beek.

lachen in chocolade.

ogen anders, van tropen.

regenjasgrijze dichter.

gesigneerd in z’n gezicht.

woorden lopen voorbij.

het regent op z’n bril.

binnenplaats in het park.

grint, planten. stemmen.

willen niet eenzaam zijn.

wij willen niet eenzaam zijn.

Coentunnel

Een dubbelloops onder het water.

Met twee monden, elk naar een

kant. Ze spuwen als een mg auto’s

uit, almaar almaar almaar almaar.

Elke werkmorgen om 8.47 rijdt in

de file ‘n zij uit Noord en  in een

tweelingfile ‘n hij uit West. In het

diepste van de tunnel gaan zij heel

even naast elkaar. Maar droefenis,

zij zien elkaar niet en nimmer: er

staat een muur tussen beide buizen,

Geen kans op haar zwangerschap,

kinderen, kleinkinderen enz.: een

heel andere toekomst is ons allen.

Tunnelbouwer: hebt u dit geweten?

Olympisch Stadion

Een giga schaal wacht tachtig jaren

al op nieuwe spelen: jaren vol roem

en eer. Je ziet Arie van Vliet sprinten

tegen Jan Derksen: eerst terloops, elk

in coïtus op de fiets, dan een sur place,

langzaam op gang trekken, als een kat

of panter de sprong in het diepe van de

steile rotswand (waar je niet eens op

kon lopen) en dan wie wint de sprint.

En de sintels knerpen onder de voeten

van al je herinneringen: je ziet Koen

en Osendarp (die fout) en Slijkhuis op

de baan gaan. En het spel met Drok en

Dráger en Halle en Rijkaard, Cruijff,

Van Basten. Met Liverpool dat in het

veld van de mist faalde. 16 olympiades

wacht het stadion al. Een giga schaal.

Leidsepleinjeugd

(tikkie tijd terug: 1947)

Er was zoveel zonlicht in die jaren met

armoede, dat ik dacht de toekomst te

zien. Ik zou van schrijven leven. Ik riep

veel jeugd die ik om me heen liet gaan:

meutes van bewondering. Ik begon het

gevecht: de dressuur van de dieren van

de taal, het leren van de weg in mensen

en hun doen. Ik had altijd wel huur, eten,

drinken. Ik biljartte met de woorden en

schaakte met de taal. Ik zag de mensen

leven en waar ze raakten. Hun hart was

open, ik kon het lezen. Zo schreef ik me

naar schrijven toe om van te leven. Zie,

ik ben tachtig, ik schrijf nog steeds: dat

heb ik in dat Leidsepleinse dorp geleerd

tussen de jeugd die ik rond me liet gaan.

Voorjaar in Amsterdam

De lente heeft een corpulente laag

van velerlei bloemen geschoven

over de gebouwen en monumenten

van de hormonale stad.

Door de straten lopen zonnebloemen

als mensenmensenallemensen.

Sommige stralen.

Sommige hebben een hart.

Bouwproject ‘Waterweer’

Die bronzen kop met mijn blik van brons

en dat Thaise offertablet

mogen niet op de bodem van een

nieuwe zee belanden.

En laat de schilderijen van de leseriek

niet verdrinken.

De Steelsii, Plantijns, Moreten en Raphelengii

wil ik niet met de dag doorweekter

zien schrrrscheuren en zinken.

Ik wil de Keurbijbel niet

buiten m’n raam zien drijven.

Oudaen, Helmers, Bogaert en Multatuli

moeten hun

hoofden boven water blijven houden.

Pour en finir avec le jugement de Dieu

van Artaud kan niet tegen overstromingen..

Amo, deleo et deleor van mij moet behouden.

De stemmen met

wapene Martijn,

du coors die doot,

sal nemmermeer gebeuren,

de gouden tros citroenig van couleur,

mijn God, er is geen God,

ik ben geen plant, ik wil geen rust,

de Zee, waarin ik mezelf weerspiegeld zie,

een nieuwe lente, een nieuw geluid,

leeuw van oud licht,

om mijn oud woonhuis peppels staan,

morgen zult gij zeker komen,

drinkplaats van engelen,

de ware blondine is een hoer,

sluit er uw ogen als bloemen bij nacht,

als regen eeuwig en als sneeuw kortstondig,

heer horror,

lieve Jacoba, het regent,

de sleepteen van de tijd,

de zwaarte van het licht,

konijnen lachen zich hier rot,

al die stemmen moeten door kunnen

gaan zonder zondvloed.

Ikzelf wil niet omringd door al mijn jaarringen,

en met alle liefde, met alle

teleurstelling en wandaad tenondergaan

in de Buitenveldertse Binnenzee.

Wordt dit Amsterdam?

Pieremegoggels varen tussen de schoorstenen

met voedsel en slaap te koop voor

bange gezinnen.

Mensen picknicken op hun daken.

Honderdduizenden verdronkenen stinken het

ebben en springvloeden uit.

Overal liggen ogen in de beklemde dakgoten

en storten tranen.

Iepen, die hoog boven het verkeer stonden,

steken vergeefs hun woedende

vuisten bladgroen tegen de hemel op.

De AOW zwemt met een horde van rollators

amechtig temidden van het rollen van

het zilte.

De kisten van de kerkhoven drijven

langs de gevels van de help-help-roepende

grachtenhuizen.

De majesteit is drijf in haar paleis op de Dam

en mompelt hulpeloos dat zij is zij is

bij de gratie de gratie Gods, maar de stem

van het water, overal gehoord,

overstemt haar.

De burgemeester heet nu opperwateraar.

In de Stopera schommelen de dossiers

van de rossebuurtse hoerenboeren.

Alle auto’s rijden onder water: hun

uitlaatgassen borrelen naar boven tussen

de eeuwige bloesem der golven,

het schuim.

Treinen en trams roesten zich naar de dood.

Carillonnende torens steken met hun

bovenlichamen uit het water.

De losgeslagen kap van het C.S. dreigt

te drijven naar de Oranjesluizen.

Artis is een dolfinarium, waarbij wanhopig

overlevenden in de platanen van de Plantage

kijken naar het ieb ieb buitelen van de

dolfijnen tussen nijlpaard en zeerob.

Bibliotheken zijn sponzen die zoveel

te weinig opzuigen met al hun pagina’s.

Het Joodse bruidje ja verdrinkt.

Karel Appels slaan tegen de gevels van

de antiquarische monumenten.

De cello-sonates van Bach gaan verloren

in de stormende golven van de

hoei hoei Van Baerlestraat.

Het beeld van Wilhelmina te paard

wankelt bijna het Rokin in.

Het geheugen van de stad sterffft ffft

langzaam: herinneringen

worden zeldzamer.

De nachten horen de sterstersterren, de

zwarte wolwolwolken en het aangaan

van de stormormormende zee

bij de zowat vergeefse waterweringen.

Horen het zachte huilen van Amsterdam

waar het eens heeft gelachen.

Advies aan de overheid

Wat gaan we doen: dijken verhogen, duinen verhogen?

Nee, een zeshoge en lange woonmuur bouwen van zuid naar noord,

met geld van waterstaat en banken en bouwers.

En de huizen verhuren, verkopen tot project ‘Waterweer’ gratis is

en Amsterdam een blije stad is vol van poëzie

temidden van een Randstad die met rust is gelaten.


By on 16:56
andrieskruisjes 1

X

X Andri3sKruisj3s

X

proberende gedichten over Amsterdam

Karel N.L. Grazell

Amsterdams stadsdichter uit ZuiderAmstel

wij gaan kapot

aan drop

en aan gordijnen.

konijnen

lachen zich hier rot.

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

Grim

Zijriviertje diertje water. Beekje nat wat nat wat

nat. Languit grammetjes vocht. Omgevallen beker

met libatie. En onder een nes, een neus van smalle

oever eventjes omhoog. Tussen reuzensteiltes van

oude steen grachtrecht hergraven, deels verstopt

als ongepast nog middeleeuws. Hier liep ik eerder

vaak door die schoensmalle steeg, over waterlage

kade, bochelhoge sluis Aan het begin geen lange

brug meer, maar gedempt. Aan het einde geweerd:

als een ‘onder de klok’, als een syfillis. Maar in het

middelste, zo hoopvol, dat gebed nog zonder eind.

Damplein

Bouw een dakhoge kasteelmuur voor het paleis,

kopieer er een Appel op met z’n spattend rood

en blauw en geel. Spuit vuurpijlen uit de schoor-

stenen. Dans jazzballet in de burgerzaal. Want ‘t

is allemaal zo grijs en saai, zo nagedaan en grijs.

Laat zoveel ballonnen los als er onderdanen zijn.

Verpak de Nieuwe Kerk in perkament, met grote

meniaturen en met gotische teksten: sittet in die

sonnescijn, en: siet die sonne en die meie, die

bloomen ent cruut. Zet bovenop het monument,

die fallus van ouds, een grootse zon van platina,

die een voortdoend orgasme uitschiet van zilver

en wit licht over het plein. Laat ook al die kleine

steentjes voetstoots verdwijnen: maak een grote

weide met een babytaal fluisterende beek. Gun

het Damrak een tapijt van tulp en hyacint, en het

Rokin een stroom van orchideeën. En tenslotte:

geef de trams de dansende muziek van J.S. Bach.

Explodeer uit je saaie grijsheid weg, Amsterdam.

E—–X—–P—–L—–O—–D—–E—–E—–R!

Oude Kerk

(tikkie tijd terug)

We staken, als het weer niet te hol, niet te driest

was, gekleed in onze zondagsplicht het rak over.

Ter overzij aan wal gekomen, beliepen we in het

moeras de paden, waarlangs op soms ‘n plek wat

hutten hurkten: takken met leem bestreken – die

traag wegzakten in de drassige geschiedenis.Ook

uit het oosten kwamen de mensen moeizaam door

modder en klei. En samen dromden we de houten

kerk binnen, die dreef op het dras. En daar zaten

we op planken banken, de handen biddend in de

schoot. Tot we het kuchen hoorden van de Ford

die afsloeg: onze pastoor, uit Ouderkerk gereden

langs de dunne Amstel. Hij bracht, zij ‘t ook niet

telkenzondaags, de graaf en gravin als lifters mee.

Hij trad in onze zielen en.hij preekte dat er uit het

hout de splinters rond de oren vlogen: wie zonde

begaat, hoort bij ons mensen, maar valt van zijn

pad in het moeras en verdrinkt jammerlijkst. We

zongen, baden en kregen zegen. En ite missa est

deden we voorzichtig onze weg nadien naar huis.

Vondelpark

‘t Is oov’ral poëzie in deze tuin der lusten.

De vogels zingen er hun tekst in hexameters.

De mens spreekt er op rijm. Voor taal is er niets beters

wat groei en bloei betreft, dan deze oude musten.

Vondelpark

De vogels zingen er hun tekst in hexameters.

De mens spreekt er op rijm. Voor taal is er niets beters.

Oudemanhuispoort

De oude mannen bladerden er door hun eerdere

dagen als door zoveelstehandse boeken en lazen

nog wat woorden. Er vouwden ezelsoren, er was

beduimeling en vlek. Maar in de taal van hier en

daar herkenden ze nog feiten en voelen en gedoe.

Welke student ziet nog hun stille glimlach in de

gangen hangen? En wie ziet nog ‘n rimpelvinger

naar wat letters wijzen? Toch, ergens in ’n hoekje

van een zolder zijn de oude geesten saamgezeten

en hoeden handjesvol de snippers nog, die restten.

Ooit treedt ‘n verdwaald student hier binnen, zal

hun levens weder op doen staan: deftig zullen zij

de Poort doorschrijden en de wallen op, om met

hun streng verleden regels, vastgelegd in hunne

boeken, deze wereld te redden van de ondergang.

Keizersgracht

Ik zag, en het was februari, een dagpauwoog te

fladder in de grachtentuin: de zon deed er lente

alsof ’t geen winter was. En er stonden twijgen

op botten. Tijd schoof de maanden in elkander.

De poëzie scheen waar geen poëzie moest zijn.

Edoch, aan de overkant van de grachtentuin zag

ik de achterkant van ‘n langgeleden makelaar die

Multatuli ooit tot Batavus Droogstoppel schreef…

Leidsestraat

Hoge huizen kijken vijand naar ons toe. Wie

zijn de criminelen? ZijWij? Zo vaak verveeld

schuiven we van winkelraam naar glazen pui.

Elke dag eender. Altijd stil, altijd chillen we,

staan we te nietsen in een autoloze straat. Er

gebeurt geen Ford meer die ons naar de verte

droomt. Er rijdt geen Volkswagen meer met

oud bloed aan de bumper. Hoe zijn we terecht

geraakt? Drempel over, drempel terug. Krantje,

van alledag, ijsje slagroon of broodje halfom.

Tegen een gevel stikt ‘n halve zak patat frites

(‘t is niet netjes om met volle mond te sterven).

We kijken rond: wie is de moordenaar? ZijWij?

Ach. stond de straat maar vol met volop bomen.

Dan zagen we  de hoge, criminele huizen niet.

Leidsestraat

Vanaf de daken van de winkelpanden kijken de

criminelen ons te vijand toe. Kaal het neerzicht.

Zij kijken. Wij schuiven en staan in een autolege

straat waar geen Ford, geen Volkswagen met oud

bloed aan de bumper leeft. Zonlicht werpt leegte

op sierstenen. We maken niet mee. We kunnen

slechts drempel over, drempel terug. Krantje van

alledagen, ijsje slag, broodje halfom. Hier heerst

een verbeeld niets: er is geen vandaan of naartoe.

Tegen een gevel sterft een halve zak patat frites

(het is niet netjes om met volle mond te sterven).

We kijken in de kaalte, voor-/achteruit, omhoog.

Stond de Leidsestraat maar bol met volop bomen:

dan zagen we de criminelen op de daken niet!!!   

Max Euweplein

Eerst was er de plaats waar schrijver Walter Brandligt

en vele anderen hun laatste afscheidsbrieven schreven:

luister, je hoort hoe het morgenrood hun levens doodt.

Nu staat erboven geschreven dat de man niet tegen de

wind in moet urineren. En er is dat woud van zuilen (er

goed tegenaan): Het Grootste Urinoir Van Gans Europa.

En dan het benepen winkelplein, niet veel groter dan ‘n

schaakbord, om als een loper snelsnel doorheen te lopen.

Tenslotte vlucht je over  de stijlloze brug, genoemd naar

Jan Hein Donner (maar geen Jan). Lang na sluitingstijd

zweven hier de twee geesten die tot de briljantste horen

die ik in m’n leven meemaakte, helaas: zweven vergeefs.

Begijnhof

De middeleeuwse woonkuil van de stad.

De paden zijn met gebeden ingelegd.

De planten bloeien rozenkransen.

God is een oude vrouw met een rollator.

In de goot schamelt nameloos een graf

Het klopjen was zondig en wilde geboet.

Ik loop over haar steen heen.

Over haar steen terug.

Ze vroeg om straf voor hare zonden.

Ik loop nog eenmaal over haar steen

heen.

Schreierstoren

(tikkie tijd terug)

Ik maakte ‘t mee. De stadsmuur werd

uitgezet, met dáár een schrayen houck.

Op die ‹ 90o hoek een corpulente toren.

die, de dikke buik naar voren, vanaf de

Engelse kaai de vijanden fnuiks de weg

verspert  Íck zal terstond omhoog gaen

zien van Schreiers toren, Ghy dienaers,

brengt myn’ helm en harnas by der hand.

Ik maakte ‘t mee. Het krom stomen van

de delen. Het naaien van de zeilen, waar

elke storm in komen kon. De kiel en de

steile masten. De bouw van spiegel, van

boeg. Het breeuwen met de rokende pek.

De Lastaadje was bij die oude wetering

vol zwoegen en zweet: bij zon, bij regen..

Ik maakte ’t mee. Het schip lag rêe bij de

schrayen houck: de vrouwen stonden ten

afscheid aan de wal bereid. De trossen los.

Het schip voer heen op onbekende koers

de verte in, werd kleiner en werd een stip.

Veel schreien. Zal ‘n toren daarnaar heten?

Ach neen, gij Schreierstoren, neen, gij niet.

En zij die derwaarts gaan? Zij en keren niet:

wie uitvaart op ‘n zee van toekomstdromen,

zal nooit nog helemaal zichzelve kunnen zijn.

Amsterdams verkeer

Elke morgen wordt er in de smalle Amsterdamse straten

een stampede van wel honderdduizend stieren losgelaten.

Leidseplein 1948

Ik zit aan de voet van het zonlicht,

drink pils uit een brouwersglas en

kijk naar het onderboomse pleintje

dat omringd is door de melkzaak,

de broodjeswinkel op komst nog,

het koffiehuisje, de fietsenstalling,

de grafsteenhouwerij met winkel,

het Leidsepleintheater, de bar met

portier, ik op een rieten terrasstoel

met een brouwersglas half pils, de

slager, de fruitstal, de taxi’s in de

wacht en door de blinde muur van

de schouwburg. Dit plein is ‘n dorp.

Ik zit aan de voet van het zonlicht.

En ik zie het met m’n geheugen:

ja, hier wandelde LichtLicht met

‘n glas vol taal in de jonge handen.

Nieuwerkerk

Nieuwwestenaren:

onder uw bezige voeten die niets dan tegels

en regels weten, onder het ingeklonken veen

verzonken, moet het verbeten zweten nog zijn

van Krelis, wie geen werk teveel is, en tevens

het prachtig lachen van Marije aiai Marije die

de liefde doet en de was aan de oever van het

leven. In de kleiïge straten spreekt schepen

Pieter de Pier: zijn tinnen ketting van ik ben

om ‘n roestige hals. Uw bezige voeten horen

hun aanwezigheid niet. Maar de waterwolf,

met z’n ogen als een moeras, z’n vacht van

druiphaar, zwierf over de landen. Beet, vrat,

beet, zwolg, vrat aan de oever van het leven,

kauwde op de rillende muren, de kille daken,

braakte het dorp Nieuwerkerk de diepte van

het meer in. Alleen wat werk, wat lach, wat

stem bleef leven. En uw bezige voeten horen

niets: ze zijn bezig met tegels en met regels.

Monument op de Dam

De fallus van Amsterdam.

Een erectie van vrijheid

die eeuwig is gebleken.

Altijd maar onbevredigd,

West-Indisch Huis

Ik hoorde het al: het was een vleeshal.

En ik zie het zo voor me (ik heb vaak

vergaderd daar). Een geslachte glorie,

languit, goed leeggebloed, aan de haak.

In een zaal, op het geaderd marmer, de

van genade steile pakken van de Heren

Negentien, tussen de kleurige gewaden

van de Abomeyse koningen, omgeven

door hun lijfwacht van vrouwen. In de

kelders goudgerande slaven en opeen:

zweet aan zweet, dij aan dij, iemanden

in iemanden, zittend op 1 bil plaats p.p.

Zeevaarders klotsen oproer aan de dijk.

En een bruiswit bruidspaar schroomt de

deuren binnen, slaat elkaar per contract

vol liefde aan de haak.Ik hoorde het al:

het is gebouwd om een vleeshal te zijn.

Tsaar Peter de Grote

‘Ik kwam gegaan over de Zaan en stak in

een wrak huisje. Vier dagen lang bleef ik

er. met zeven voet te lang voor de krappe

bedstee. ’t Was genoeg: ik kwam naar het

schiprijk Amsterdam. En telken morgen

stapte ik met m’n hamer uit m’n kamer in

het Herenlogement naar de scheepswerf,

bouwde, repareerde, leerde. Ik  bleef daar

meer dan een jaar als tsaar en timmerman.

En ‘t was raar om een gewone man te zijn

temidden van de timmerlieden en al die

anderen, en om in de avonden dan van de

hooggeboren heren leergierig aan te horen

hoe hun zeepolitiek was, hun geneeskunde.

Ik ging door Amsterdam als twee mannen.

En ach, die twee konden wel dunnetjes uit

me, ik mat in de lengte immers zeven voet.’

Amsterdamse Stedenmaagd

Je draagt een grachtengordel om je

slanke heupen, Mokumiana.

Op je hoogste toren staat een kroon.

De voorjaarshemel is je koningsmantel.

De boom van Anne Frank je vredestak.

Naast je staan twee hoge kruiken

met Amstel en IJ erop geschreven.

Je blijft zo jong als je oud bent:

elk jaar kom je in je voorjaar terug,

wedergeboren als een koningin Beatrix.

Ik heb de dijen van je straten gestreeld,

geademd in al je open ramen,

ik heb in je parken gevoeld,

je plantsoenen gekust.

In je buitenwijken hebben we gelachen,

en ‘n Andrieskruis gespeeld:

een man ligt hijgend op een maagd.

En ongevraagd heb ik gedichten

over je gemaakt: een krans van taal,

een krans van liefde om je hals.

Even probeerde ik weg te komen,

naar Hilversum, naar Enschedé.

Maar ik kon het niet, Mokumiana.

Nee.

Amsterdam

Ik heb in je gewoond dat ik mijn voetzolen

op de schilferhoofden van m’n onderburen

voelde, en de schimmelvoeten van driehoog

op m’n haren. Al het heelal rond me heen

bleek vol met mensen: overal camera’s als

leestekens, overal reptielse richtmicrofoons.

En als ik at, veegde m’n buurvrouw rechts

de klodders van m’n lippen. Door de dunne

huisdeur hoorde ik olifanten trappen lopen.,

Op en neer. Op en neer. Buiten schuurden

de mensen langs m’n leven, gaven zweet af

en okselgeuren. In de straten renden stieren

bloeddoorlopen op me af en de zebrapaden

gaven geen heul. Je hart was oud. Water in

de grachten riekte naar antiek, gevels hadden

de fletse kleuren van bejaarden, en de smalle

stegen glinsterden van rotting. Het was niet

om te doen en ik vluchtte voorgoed naar een

buitenwijk vol groen. Ik woon naast je, stad,

kom nooit meer in je, en toch ben je me dier-

baar zoals alleen de ellende dierbaar kan zijn.

Hologramsterdam

De stad is één toon: gelijk gisteren, gelijk nu.

De straten veranderen niet. De mensen blijven

de massa. De auto’s zijn de eeuwige moord. Ik

zou wel elke dag ‘n andere stad willen zien, ‘n
nieuwe. Maken we die? We leggen een enorme

waard aan in de Noordzee en daarin brengen we

hologrammen van wat de stad zou kunnen zijn:

het is lucht van licht, laser van belazer dat je er

meemaakt. Je grijpt en loopt er dwars doorheen.

Laat meneer fantasie het droomwerk maar doen.

Maandag allemaal baden: ‘n weids sprengendal

van jacuzzi van huis in huis.en vol draperende

nimfen, wulpse engelen. Dinsdag met zwevende

straten en paleizen in de wolken., terwijl prinsen

op witte paarden openbaar vervoer zijn en pages

ons prinsessen voorgeleiden. Woensdag is een

stad van tuinen en kabouters, feeèn die vlinders.

zijn en wensen vervullen. Donderdag wordt het

een uitgestrekt veld van paaseieren met alsmaar

voetballers ertussen. Vrijdag is er op de wallen

achter elk raam een pronte dame geprojecteerd

in \n n explosie van rood. Op zaterdag is de stad

uit louter warenhuizen met de mooiste dingen,

de laagste prijzen. Zondag is er niets, alleen ‘n

wad, ‘n vada vol nada, en daarover plechtigheid.

Wie heeft betere ideeën voor Hologramsterdam?

Hoppe

Ik zag in een droom na de slag bij Vadam

(m’n familie was er later 2x burgemeester)

mezelf met de Romeinen verdwijnen naar

hun villa´s die als luie dieren aan de Amstel

lagen. Daar tot rust komend, dronk ik op een

drempelloos bankje het edele thuisbrouwbier

uit de schedels van overwonnen Germanen.

Ik zag in een droom hoe de Friezen waren

gekomen en de harde g in de taal brachten

en hoppe boppe brulden (wat dat ook mocht

betekenen). En in trouwe, vriend, ik trachtte

rust te vinden in het kloostergebrouwen bier

dat ik in een drempelloos hutje dronk uit

een helm van een overwonnen Kaninefaat. ..

Ik zag in een droom hoe de morgen de nacht

achter zich liet en het Boerenverdriet al die

luidzieke schuitjes met hun oogst en slacht

sluisgewijs spuide naar de stad. En dronk in

een drempelloos sluiguis bier uit de beker.

Ik zag in een droom de volgeladen toesleeën

glijden op de kaden langs de grachten. Aan

de Boerenwetering stonden de iepen in diepe

gedachten. We beluisterden een late merel.

De schemer werd al duister: alleen ’n kaars

flonkerde er nog  in het donker. Op het leren

behang stond ’n man met pruik en kuitbroek.

Het zand op de vloer knerste onder z’n lange

laarzen. Ik zag: er lag een drempel.bij Hoppe.

Ik word wakker en  ga naar café Hoppe. Het

fabrieksbier was welgetapt: een mooie kraag,

schuimringen later in het glas. Buiten gassen

auto’s. De schoorstenen op de daken spuiten

gevuil. Spui en wetering zijn vaststaand asfalt.

Het zand knerst er nog steeds. De drempel ligt

uitgesleten terzij. Niemand roept Hoppe boppe.

Artis

Heen en wee4r draaft de wolvin draaft heen

en weer draaft de wolvin draaft heen en weer.

alsof geschreven door R.M. Rilke eveneens.

Haar ziel, met vrije wil doorweekt, raakt door

haar doen getekend. Ze is op x miljoen en 13

keer berekend, dan valt ze neer, en wordt ze

grond, wordt aarde die haar doet verdwijnen.

Ik sta aan de andere kant van haar leven, haar

draven: de tralies van tradities tussen haar en

mij. Achter me de dierentuin: in ´n groene zon

vermomde plantage van gekooide bloeddorst.

Ik ben gevangen in de stad van mens en grens,

prooi van wat gedachten, wat gevoel. Ik orden

taal, en ben met vrije wil doorweekt. M´n ziel

raakt door m´n doen getekend. Op x duizend

en 13 gedichten ben ik berekend. Dan val ik,

word ik grond, aarde waarin ik zal verdwijnen.

Mijn gedichten belanden verlaten in de straten:

verregenen, verscheuren in een regen van tijd.   

Geen werk onzer handen behaalt eeuwigheid.

Amsterdams bescherm´heilige´

Hij kwam per schip uit onbekende regio

en liet z’n paardje hupp’len op het dek:

Amerigo, Amerigo.

Ginds zong, als elk jaar weer,

de Prins Hendrikkaai verwoed

met duizend kinderen tegelijk

van Mozart en Jan Pieter Heije

het zie de stoomboot, zie de maan.

Hij keek nog even naar z’n spiegelbeeld:

zit alles goed, zit alles recht,

en kan het lijen?

Hij zag zichzelf en dacht:

ik heb je, Abraham, zo vaak ontmoet,

dat ik gevlugt ben in onecht..

Zit alles goed, zit alles recht,

en kan het lijen?

M’n  baard is vals,

m’n mijter en m’n tabberd zijn het ook,

Zelfs ben ik niet knokenrestend heilige,

niet beschermheilige van deze stad.

Hij trad aan wal, hees zich te paard,

Hij glimlachte de kinderogen in:

hij was zo echt als hun geloven maar kon zijn.

Stadsschouwburg

Ik was er ‘n kind aan huis: tussen de

coulissen en in hete pluche. Ik trad

de treden naar kleedkamer en naar

amfitheater. Te middag duwde ik de

zware, zwarte deur open, schoof ‘n

meisje naar binnen en later zaten zij

en ik vrijend te spelen in de nok. In

de avonden keek ik de zaal in, die

kon klinken als een aanruisende zee.

Ik vluchtte in kleding van armoede

de stad uit. Ik riep een tekst. Stierf

telkens weer van schrik naast Cesar.

Ik lachte met de lachers, en speelde

met de spelers. Gij toneelkijkers, zag

mij toen kijkend vanuit in uw pluche

ik speelde ja dat ik ´n echt acteur was.

Hortus Botanicus

Groene wurgslangen van lianen hijsen

in de kassen het textieldikke vocht naar

de kruinen die het glazen, door zonlicht

gebatikt dak torst. De lucht is welhaast

drinkbaar en zweet op m’n langse huid.

De kleuren schreeuwen luid als vogels.

En ik duw tegen de tropische warmte:

hier vinden we onze laatste verovering,

de allerlaatste kolonie van Amsterdam.

Nieuwwester sloop

In mijn ogen nieuwbouw nogen lang geen

mensenleven oud wordt alweer gesloopt.

Midden in het morgenlicht om 9 uur vier zeven

slingert zich een sloperskogel

groot als Goliath

in uw ooit duurverworven huis

en vermorzelt de laatste herinnering

die nog huurt binnen de vier muren

van hier uw leven.

Noteert u de tijd: 9.47 v.m.

Intussen heeft de sloop u naar een

vreemde buurt gesleept:

onbekend, ongewend

(zult u ooit uw nieuwe buren

leren tutoyeren?).

In deze ikbendegrootste wereld

wint reus Goliath van kereltje David. Altijd.

De rest is literatuur.

Amsterdamse kelderwoning

In het blurrende grijs van de tijd

heb ik het nog meegemaakt.

De ouwe, opengevouwen dozen op de

vloer van de kelderwoning..

Het beddengoed tegen de zoldering.

Een man in het uniform

van Amsterdams agent,.

een vrouw in het uniform

van Amsterdamse sloof,

vier kinderen in de uniformen

van armoede en niks:

rond een tafeltje en houten stoelen

uit het goedkoopste warenhuis:

‘voor zonder geld: naar de Belt’.

En in een beschimmelde hoek

een man van rimpels: hun god.

Die alleen maar ‘liefde’ stamelde.

Le Canard

Een oud pakhuis in de Spuistraat:

daar hing de kunst zich te vervelen.

Ik heb er nog eens geslapen.

Op de spiraal lagen kranten,

want er was geen matras:

de winter tochtte op  m’n heupen,

ik sliep onder m’n dichtjas

(ik bedacht warmte van woorden)..

Naast me lag een gesneuvelde

en huilde als Tmoer Lenk,

zwart van dood, rood van bloed.

Ik levend, hij geschilderd door Constant

(nu deze Cobra dood is, ben ik goud waard).

Stille Omgang

Ze bidden met hun benen,

tellen met hun tenen

de alsmaar amerijtjes.

De nacht doet ssst (= geluid

van een vallende ster).

Zo schuifelen ze voort:

’t is het mirakel dat hen trekt.

Geen woord. Geen woord.

Tienduizend, twintigduizend.

Even ruist de stad van eeuwigheid.

En niet de hostie, die de vlammen

overleefde, is het wonder nog,

maar de omgaanders

met hun biddende benen,

hun maternosterende tenen.

Mokumse meeuwen

(tikkie tijd terug)

Witte zwalken boven een gracht.

Als Stuka’s duiken ze

(de zon aan hun staart)

en grijpen het toegeworpen brood.

Krijst er eentje luid

boven het stadsrumoer uit:

hééé, Jaop, gaoneme fenaofent

naor de sinnemao op de daak,

naokende meewinne kake?

Rijksmuseum

Met een vingerreiking, een zachte g

in de gewrichtjes, schept de architect

door een uiterst dure schuur, de hoge

waardigheid van de zo oude schilders.

Die kijken ons aan door de ingelijste

ogen van meisje en matrone, hoender

en hond, schutter en schout, bruid en

burgemeester, boegbeeld en stier, etc.

Met een diepe indruk in het vlees van

onze ziel dwalen we in het licht van

de zalen, waar geen buiten is, alleen

maar verf te zien. Zo voelen we ons

onsterfelijk: nergens het gevaar van

leven. Zo achten we die almaar ogen

soms wel  angstloze miljoenen waard.

Straks lopen we op het Museumplein.

Hier is buiten. Hier woont de dag als

elke dag, als alle, alle dagdagdagen.

Kijk, een voorjaarsvrouw met groene

ogen om in te verdrinken. Kijk, een

lenteman met ogen van vertrouwen.

Kijk, een zonlichtkind dat een bootje

vaart als een droom, en met ogen van

lach en spel. Hoeveel zouden we op

dit groene plein, gelijst in Amsterdam,

voor deze levende ogen willen geven?

We lopen voorbij. We lopen voorbij.

Amsterdamse boerderij

De plechtige voordeur bovenaan de

stoep loerde open. Henk riep

met benepen stem. Maar

hoorde geen woord. Hij liep de gang in,

sloop zacht omhoog langs de trappen

van het huis dat een hoop oud

stond te zijn aan een gracht.

Op zolder klom hij uit ’n raam,

om van de door de achtergevels ingeklemde

resten – allang verbouwd,

en nòg, en nòg – van een

middeleeuwse hoeve

die bijna niemand kent,

opnames te maken.

Dit was toen voor Henk het oudste moment

van Amsterdam

dat hem op de jonge schouder tikte.

Pas eeuwen later zag hij (witgehaard) wat

nog van vóór de stad aardde,

(o ja: dat insluipen is allang verjaard).

Vloyenburgh

Op de voorgrond is riet gegraveerd. Erachter

strekt een giga wateroppervlak van strak en

blak, met soms een nauwelijks rimpelen als

van een baby. Zo breed hier de rivier. Recht

vooruit door perspectief verkleind tot in wat

lijnen een dijk van Sint Anthonis. Met in de

verte enkele bijnabrakke wolken over het IJ.

Ik zie Vloyenburgh boven de gravure, met oe.

Een plaats die aangeplempt werd en gedempt.

Hier is de markt nu, hier het Kunstgebit, en ik

ga er en de handelaren gaan er en duizenden

bezoekers gaan er en de ambtenaren bestaan

er. En wij allen, wij wandelen er op het oude

water. Maar profeteren? Nee, doen we niet.

Amsterdamse grachten

Ik loop met verleden beladen

langs de waterzachte grachten

van de tijd.

De iepen tillen hun vuisten bladgroen

naar het hemelsblauw.

En wie heeft gelijk: groen of blauw,

beneden of boven,

aarde of hemel?

Leven is lopen

langs de waterzachte grachten

van de tijd

tot het kruispunt waar het verkeerslicht

springt van groen op blauw.

Hoofdbureau van politie

Die oude paternosterlift

was nog rond aan ’t gaan.

Een grote rozenkrans

waarin een mens kon stappen,

een mens kon staan.

In de gangen bromden boxen.

Verlos ons van de boze

Verlos ons van de boze.

Verlos ons van de boze.

’t Gebouw was één groot gebed

om de boze uit de stad te lozen.

Verlos ons van de boze.

Verlos ons van de boze.

Verlos ons van…

HOERA!

Rembrandt en de Nachtwacht

Hij droeg het opgerolde schilderij met zijn

twee kompanen naar de Grote Sael van de

Cleveniersdoelen. Binnen sneed hij te-vele

repen (‘zonde van de dure verf’) af van het

linnen, hing het omslachtig reusachtig doek

op aan de muur en werkte alles verder klaar.

Wat rest van een man die werd gestorven?

Een stem die geen stem meer heeft, ogen

zonder blik, gebaar zonder beweging. De

herinnering houdt geen levens vast, alleen

hangt vermoeden in het beeld. dat ze roept.

En dan sterft de herinnering voorgoed. Jij

liet nog schilderijen liggen. Zoals dit: een

korporaalschap. Maar het doel van je leven

en je schilderen is weg uit je Nachtwacht.

Nu komen de tienduizenden door de lucht

over de oceaan (dat is ons wonder) en ze

knauwen hun taal en lopen de straten vol

en kijken naar wat je niet bedoelde. Gaan

huiswaarts: yeah, we saw the Naaitwotch.

Heel soms komt er een man en gooit zuur

over je doek, of hij snijdt erin. We straffen.

We kunnen het beter z’n gang laten gaan: de

Nachtwacht is allang geen Rembrandt meer.

Ik denk wel ‘s: zag ik in mijn tijd die repen

liggen. En ik stel me voor hoe ze hangen in

het Grazell museum. En ik hoor: its maaitie

faain, boys. En nou nee, dan toch maar niet.

Overtoom

(tikkie tijd terug)

Geen schip mocht daar door een sluis

de stad in.komen: de bisschop verbood

het om alle ruzie in te tomen. God had

bestierd dat hier een dam kwam, sprak

hij.  Als er één schip over de dam was,

volgden er wel meer. En zo rukten dag

en nacht tricepsuelen aan de spaken van

de windassen en aan de tomen van de

veel te weinig schepen. ‘t Is alles hier

kostverloren, dronken de schippers in

het veerhuis, God heeft wel iets doms

in zijn eigenste bisschop toen bedacht.

IJ

(met een druppeltje etymologie)

Haringen zwemmen

in het water van het ij,

in het ij van het water.

Amerikaanse scharen

krabben over de bodem

in het am van het water,

in het water van het am..

Auto’s duiken met tunnelvisie.

in het water van het aqua,

in het aqua van het water.

Waardige zeeschepen

varen gleuven

in het am van het ij,

in het ij van het am.

Cruisecolossea meren

aan de kades,

die lange vingers

in hrt ij van het aqua

in het aqua van het ij.

Ponten hebben danig

het heen en weer

op het am van het aqua,

op het aqua van het am.

De waterleiding heeft

een waterhoofd:

hij is de haven meester,

baas van am en water,

van aqua en ij.

Scheepvaartmuseum

Hier is stil voor ogen

wat rest van het soms alledaags

en soms bewogen varen

dat we jaren deden, dat we jaren doen.

Hier stromen bij elkaar

alle vertes die in dromen

en in werkelijkheid

bestonden en bestaan,

in afstand en in tijd.

Sail Amsterdam

Masttoppen boven de horizon

fier uit de wateren erachter

en met de tijd in de zwangere zeilen

het verleden naar ons huidig kijken toe.

Steeds nader kwam het dwarsgetuigde schip.

In het kraaiennest de zomerzon.

Op de ra’s stonden de dwergige matrozen

in parade, als figurantjes bij een musical.

Op de boegspriet zwaaiden handjes,

aan de railing gingen mutsjes in de lucht.

Honderden schepelinkjes juichten ons.

En wij stonden aan de oever,

met de zwaarte van het licht

op onze buigende schouders.

Productie 2005 werd als naam

op het schip geschilderd.

Na dagen gekaaid in Amsterdam

laveerde het verleden weer heen.

De naam zakte weg.

De masten zakten weg.

En we wisten, maar zagen het niet:

in de wateren achter de horizon

is niemand meer te boord.

Verleden kent geen levenden.

Betondorp

Een poppendorp:

huizen eigenlijk te benepen

voor architect en supermarktman,

voor voetballer en schrijver.

Gedachten als vogels

stoten hun koppen

tegen de plafonds,

vrijheid zit smal als repen tussen

de geringe kamerwanden,

dromen komen de kleine

straten haast niet door.

Maar:

zet er je fijne meubeltjes neer,

hang je behangetje,

plant er je parmant gezinnetje

in wederzijdse vruchtbaarheid,

leef er je leventje

van hoog of laag allooi

tot de dood je niet meer aangaat -

in het mooiste poppendorp,

het mooiste ooit.

Magere Brug

Een anorexia tussen een straat

en eveneens smalle straat: over

een op z’n breedste rivier. Met

twee klappen die als houten lip

en lip elkaar raken boven water

(wat is het geluid van één klap?).

Alleen fietsen, alleen wandelaars

mogen nog over de brug komen.

Ook driewielers en obesitassiers?

Arent Ianszen

Bij de Leprozengracht gevonden:

een ‘pied de biche’: als van een

hinde. Ruim vier eeuwen lag hij

daar te wachten op weer daglicht..

Met een gekroonde roos achter op

de bak.Twee initialen tonen bijna

uit wiens huis de lepel stamt: A .I.

Zeg ene Arent Ianszen. Met deze

lepel at hij van z’n sterfelijkheid:

plezierde er hart en buik mee. Tot

(gelijk een hinde vlucht de tijd) de

lepel hem geen dagen meer vond,

in onbruik raakte. Arent Ianszen

keerde tot stof. Soms, maar ruim

400 jaar nadien, ademen we A.I.

onwetend met een neusvol in en

snuiten, niezen of pulken hem uit.

Maar z’n lepel  overleefde hem.

Molen van Sloten

(opschrift)

Ik maal niet om de olie of het graan.

Ik til het water uit de stad vandaan.

De wind valt in m’n wieken als een valk.

Ik kan de jaren van m’n toekomst aan.

Magirus bus

Leek op een bulldog.

Breed op de banden.

Donkerblauw de huid.

Eén deur en altijd open

voor uit en voor in.

Zomer reisde mee.

Winter passagierde

Zitje bij de open deur,

onafgeschermd.

Hou stevig vast

in de steilse bochten,

val er niet uit.

Anders was je buskaartje

(11 ct, 5 voor 50 ct)

zelfs niet eens nog geldig

voor de straatstenen.

Leek op een bulldog.

Nieuwe Oosterbegraafplaats

Achter dat spijlenhek van de Middenweg

ligt geen wereld meer. Hoor, in dit nergens

is de dood voor elk zoals zij/hij zich dacht.

‘Ik ben boom geworden, bloem en vlinder

en rots en in jou en alles alles, alles, alles.’

‘Er is veel voorbij. ‘t Is wreed, bevrijdend

tegelijk. Wat moet ik van dit alles denken?’

‘Ik lig als ‘t ware in ‘n warm bad van liefde.

Maar ik heb geen ogen, geen handen. Niets.’

‘Ik ben hier op m’n dooie eentje. Ik spook

tussen de takken, en niemand die het merkt.’

‘Elke diersoort heeft z’n eigen stallen. Maar

wat de mens heeft: rauwe vloer, en ’n stank!’

‘Er zijn zóveel mensen hier. En we vloeien

in elkander over. Niets is hier nog eigen.’

‘Het is zoals verwacht. Ik heb nog steeds

dat beest van ik op m’n rug. ’t Blijft zwaar.’

‘Ooit, toen ik nog maar van tijd was, had ik

een geloof van aards. Dat is nu van hemels.’

‘Je zou me als een herinnering kunnen zien.

Meer niet. En dan nog in ‘n ander geheugen.’

‘Ik ben niet het zoemen van een bij, maar

‘n idee dat ik wil zoemen tussen bloemen.’

‘Weet je wat van m’n leven is geworden?

Niets. Helermaal niets. Nada. Niks. Niets.’

‘Mevrouw, hij kwam aan m’n boterham.

toen zette ik hem het broodmes op de keel.’

‘Ik ben hier helemaal niet. Waar ik wel ben,

weet ik evenmin. Heeft doodzijn wel zin?’

‘Niemand kan me nog met letters schrijven.

Ik word gekoesterd door onnoembaarheid.’

‘Ik sta eeuwig bij een weegschaal: gedaan

tegen misgedaan. Er is eeuwig geen uitslag.’

‘Zoals ik dacht dat het zou worden, is het

geworden. Valt dat even tegen. Of mee?’

‘Gewoon, ik loop op de Middenweg, net

als vroeger. Alleen, niemand wil me zien.’

‘Ik misdreef waartoe ik werd gedreven.

Ik leer schuld. Is dat de zin van m’n leven?’

‘Het is fijn zonder lichaam te zijn. Ik kan

zweven, dat kon ik niet tijdens m’n leven.’

‘Ik ben niet schuldig aan m’n leven. Dus

waarom die straf de deugden te poetsen?’

‘Wat had ‘t voor zin om dood te gaan: ik

weet nòg niet waarom ik moest bestaan.’

‘Moest ik ‘m naastenliefde geven? Maar hij

stonk zo verschrikkelijk erg uit z’n oksels.’

‘Met die hoogtevrees is de hemel niks. Ik

lijd overal fantoompijn van m’n zenuwen.’

‘Eeuwigheid is stilstaande tijd. Ik kan niet

bewegen, alleen in m’n zo eeuwige droom.’

In de stad loopt de dichter. Hij weet waar

speciaal hij zal komen: in het hiernataals,

in het diepwitste wit tussen de woorden.

Trompetterssteeg

Zo smal: de smalste.

Voor de ingang

stand eine Lanterne

und steht sie noch davor.

Scheen jaarringen licht

op het Gabon masker

dat aan de wand van

Eugène Brands ’n

vervloeking hing te dreigen.

Eugène leeft niet meer,

zweeft.

Misschien kan hij

de smalte in.

Aan de uitgang, om de

donkere hoek, klinkt:

heilugge Anna,

sieje nog niks komme?

Theo Thijssen

Er was boos geweest. Het leven had het kind

leed gegeven: aardse armoede, verlies, angst,

Er was ook goed geweest. Het leven had het

kind gebaren gegeven van behoeden en liefde.

Zo groeide het groot tot een man met een stem.

Ieder die in onze landen woonde, hoorde hem:

uit armoede bloeit toekomst als een rode roos.

Jorisvloed 1168

Die nacht kwam het water als een vretende

wolf, die z’n poten op ons woon en ons land

zette. De storm joeg door z’n vacht. De slaap

uit onze ogen brekend, vluchtten we. Het vee

verdronk feodaal achter onze angst. Een terp

aan de wetering gaf ons heul. De waterwolf

vrat in het veen en er kwam een brede inham.

We konden nog niet weten dat dit een haven

zou gaan worden: het brede Ammerak, met

daarachter het nog zo sijpeldunne Rokin: die

vloed gaf ons (en ook dat wisten we nog niet)

het begin van een toverstad, van Amsterdam.

Wat bracht die vloed teweeg? Ineens was er

de zee, die ons de wateren handen reikte: nu

kwamen schepen tot ons en we handelden en

deden overslag. We kregen tolrecht. Nadien

hing het Mirakel boven het vuur. Dichters en

schilders werden de ziel van de stad, terwijl

de wereld aan onze zilte voeten lag. Vrijheid

woonde eeuwen aan de grachten. En, raarder

kan het haast niet, tenslotte kwam er Karel

N.L. Grazell, Amsterdams stadsdichter uit

ZuiderAmstel en schreef dit wankel gedicht.

Paleis voor Volksvlijt

Met vol inzicht gebouwd: een paleis van

kristal, bewoond door glazen prinsessen

en prinsen op appelwitte schimmels. Of

zie ik het verkeerd: was het gewoon een

nadoen van een Victoriaans? Vader en

moeder spraken met trots over de jeugd

die zij daar plachten. Maar ai, de brand

vloog in hun tijd, glas knapte, spanten

knapten en volksvlijt zakte in as ineen –

verwrongen bleef over. Maar ver nadien

was er nog die galerij met torens en tuin:

randje binnenstad de romantiek om op ‘n

randje van de nacht te vieren met lippen

die van leven en dijen die van gulzigheid

waren. Het paleis dood? Leve het leven!

De tijd nam tenslotte echter alles mee en

er kwam een bank, gestaafd door goud.

Ai, nu is ook mijn jeugd tot as verbrand.

Concertgebouw: Spiegelzaal

Het was zo mooi: er stroomde een

zilverschuim van luchterlicht uit

de rijen tooiende spiegels en naar

me toe en de voorbije zielen van de

componisten vielen in dat licht aan

m’n voeten. Elke zondag begon er

met für Elise, ’n jongemeisjesdraak,

en dan kwamen de grootmeesters

en essen, deden hun chaconnes en

vocalises. De voorbije zielen van

de componisten vielen als stoeten

woorden en noten aan m’n voeten.

Er hoefde niet meer te moeten. De

zondag was een spiegelkerk. Nu is

‘t  merendeels over, aroma van thee

en koffie heeft overgenomen. Het

gemurmul van de mensen, met het

gemurmul van de mensen, met het

gemurmul van de mensen: Mozart

en Bach en Bruch en Pijper nee niet

Mozart en Bach en Bruch en Pijper:

Douwe Egberts! Hang op die dagen

zwart velours voor elke spiegeldeur:

rouw moet dan in ‘t Concertgebouw.

Muziek moet telkendaags gebeuren.

Sonja S.

Ze liep ter Olympiapleinse Sintelbaan al

trainende de 100 m al net zo hard als wie

de snelste in de wereld was. Maar nee, ze

werd niet als man bestempeld. Ze was dan

ook een lust voor het oog en de handen. Als

ze winkelde, stonden de mannen spontaan

te ejaculeren. De stad kreunde zich klaar.

Kom daar ’s om bij die andere net zo snel.

Ze stopte met hardlopen, liet zich vangen.

En trouwde jong. liet haar vruchtbaarheid

bevrijen onder ‘n Californische rozijnenzon.

Openluchtconcert

vondelpark: zwangere groene buik

onder poezenvacht wolken.

mensenvolle zomer wandelt

tussen rijpe bomen.

binnenplaats in het park.

grint, planten. stemmen.

eierschaal van tribunes.

en eierschaal van een tent.

nichtgezicht achter mike.

take your time and break it.

zingende meisjes ernaast,

breed als een bar.

synthesizer met wit gebit.

gitarist maakt serpentines.

drummer wordt hartslag.

zweten van zwarte boxen.

geluid loopt de oren over.

vogels tegen trommelvliezen.

spitsuur van klanken.

soms herkenbaar amerikaans.

rijen van luistermensen.

hierzijnwemensen. neuriërs.

hij hasjt. en zij hasjt niet.

een file van applaus.

voeten. schoenenvol. tenenklem.

balletschoenen dun als huid.

sandalen te lang aan.

gympies verwend door asfalt.

basketbalschoenen, blauw/wit.

rode sok. groene sok.

negerlange neger. blue jeans.

rulle trui. muts van pompoen.

een roofvogel met zonnebril.

een bloem in z’n haar,

om tussen gisteren

en morgen te drogen.

oude nozem, volle buik.

krom naast z’n evenwicht.

grijs als how high the moon.

vloekt hij bij ‘t concert? niet.

meisje in clownsbroek.

mager. klein als een struik.

praat verlegen. groet.

gaat voorbij als een bal.

uilenbrilvrouw. met

peper en zout paardenstaart.

wuift als een tak:

vrienden van dochter.

een hoed om te vergeten.

heupen smal als een beek.

lachen in chocolade.

ogen anders, van tropen.

regenjasgrijze dichter.

gesigneerd in z’n gezicht.

woorden lopen voorbij.

het regent op z’n bril.

binnenplaats in het park.

grint, planten. stemmen.

willen niet eenzaam zijn.

wij willen niet eenzaam zijn.

Coentunnel

Een dubbelloops onder het water.

Met twee monden, elk naar een

kant. Ze spuwen als een mg auto’s

uit, almaar almaar almaar almaar.

Elke werkmorgen om 8.47 rijdt in

de file ‘n zij uit Noord en  in een

tweelingfile ‘n hij uit West. In het

diepste van de tunnel gaan zij heel

even naast elkaar. Maar droefenis,

zij zien elkaar niet en nimmer: er

staat een muur tussen beide buizen,

Geen kans op haar zwangerschap,

kinderen, kleinkinderen enz.: een

heel andere toekomst is ons allen.

Tunnelbouwer: hebt u dit geweten?

Olympisch Stadion

Een giga schaal wacht tachtig jaren

al op nieuwe spelen: jaren vol roem

en eer. Je ziet Arie van Vliet sprinten

tegen Jan Derksen: eerst terloops, elk

in coïtus op de fiets, dan een sur place,

langzaam op gang trekken, als een kat

of panter de sprong in het diepe van de

steile rotswand (waar je niet eens op

kon lopen) en dan wie wint de sprint.

En de sintels knerpen onder de voeten

van al je herinneringen: je ziet Koen

en Osendarp (die fout) en Slijkhuis op

de baan gaan. En het spel met Drok en

Dráger en Halle en Rijkaard, Cruijff,

Van Basten. Met Liverpool dat in het

veld van de mist faalde. 16 olympiades

wacht het stadion al. Een giga schaal.

Leidsepleinjeugd

(tikkie tijd terug: 1947)

Er was zoveel zonlicht in die jaren met

armoede, dat ik dacht de toekomst te

zien. Ik zou van schrijven leven. Ik riep

veel jeugd die ik om me heen liet gaan:

meutes van bewondering. Ik begon het

gevecht: de dressuur van de dieren van

de taal, het leren van de weg in mensen

en hun doen. Ik had altijd wel huur, eten,

drinken. Ik biljartte met de woorden en

schaakte met de taal. Ik zag de mensen

leven en waar ze raakten. Hun hart was

open, ik kon het lezen. Zo schreef ik me

naar schrijven toe om van te leven. Zie,

ik ben tachtig, ik schrijf nog steeds: dat

heb ik in dat Leidsepleinse dorp geleerd

tussen de jeugd die ik rond me liet gaan.

Voorjaar in Amsterdam

De lente heeft een corpulente laag

van velerlei bloemen geschoven

over de gebouwen en monumenten

van de hormonale stad.

Door de straten lopen zonnebloemen

als mensenmensenallemensen.

Sommige stralen.

Sommige hebben een hart.

Bouwproject ‘Waterweer’

Die bronzen kop met mijn blik van brons

en dat Thaise offertablet

mogen niet op de bodem van een

nieuwe zee belanden.

En laat de schilderijen van de leseriek

niet verdrinken.

De Steelsii, Plantijns, Moreten en Raphelengii

wil ik niet met de dag doorweekter

zien schrrrscheuren en zinken.

Ik wil de Keurbijbel niet

buiten m’n raam zien drijven.

Oudaen, Helmers, Bogaert en Multatuli

moeten hun

hoofden boven water blijven houden.

Pour en finir avec le jugement de Dieu

van Artaud kan niet tegen overstromingen..

Amo, deleo et deleor van mij moet behouden.

De stemmen met

wapene Martijn,

du coors die doot,

sal nemmermeer gebeuren,

de gouden tros citroenig van couleur,

mijn God, er is geen God,

ik ben geen plant, ik wil geen rust,

de Zee, waarin ik mezelf weerspiegeld zie,

een nieuwe lente, een nieuw geluid,

leeuw van oud licht,

om mijn oud woonhuis peppels staan,

morgen zult gij zeker komen,

drinkplaats van engelen,

de ware blondine is een hoer,

sluit er uw ogen als bloemen bij nacht,

als regen eeuwig en als sneeuw kortstondig,

heer horror,

lieve Jacoba, het regent,

de sleepteen van de tijd,

de zwaarte van het licht,

konijnen lachen zich hier rot,

al die stemmen moeten door kunnen

gaan zonder zondvloed.

Ikzelf wil niet omringd door al mijn jaarringen,

en met alle liefde, met alle

teleurstelling en wandaad tenondergaan

in de Buitenveldertse Binnenzee.

Wordt dit Amsterdam?

Pieremegoggels varen tussen de schoorstenen

met voedsel en slaap te koop voor

bange gezinnen.

Mensen picknicken op hun daken.

Honderdduizenden verdronkenen stinken het

ebben en springvloeden uit.

Overal liggen ogen in de beklemde dakgoten

en storten tranen.

Iepen, die hoog boven het verkeer stonden,

steken vergeefs hun woedende

vuisten bladgroen tegen de hemel op.

De AOW zwemt met een horde van rollators

amechtig temidden van het rollen van

het zilte.

De kisten van de kerkhoven drijven

langs de gevels van de help-help-roepende

grachtenhuizen.

De majesteit is drijf in haar paleis op de Dam

en mompelt hulpeloos dat zij is zij is

bij de gratie de gratie Gods, maar de stem

van het water, overal gehoord,

overstemt haar.

De burgemeester heet nu opperwateraar.

In de Stopera schommelen de dossiers

van de rossebuurtse hoerenboeren.

Alle auto’s rijden onder water: hun

uitlaatgassen borrelen naar boven tussen

de eeuwige bloesem der golven,

het schuim.

Treinen en trams roesten zich naar de dood.

Carillonnende torens steken met hun

bovenlichamen uit het water.

De losgeslagen kap van het C.S. dreigt

te drijven naar de Oranjesluizen.

Artis is een dolfinarium, waarbij wanhopig

overlevenden in de platanen van de Plantage

kijken naar het ieb ieb buitelen van de

dolfijnen tussen nijlpaard en zeerob.

Bibliotheken zijn sponzen die zoveel

te weinig opzuigen met al hun pagina’s.

Het Joodse bruidje ja verdrinkt.

Karel Appels slaan tegen de gevels van

de antiquarische monumenten.

De cello-sonates van Bach gaan verloren

in de stormende golven van de

hoei hoei Van Baerlestraat.

Het beeld van Wilhelmina te paard

wankelt bijna het Rokin in.

Het geheugen van de stad sterffft ffft

langzaam: herinneringen

worden zeldzamer.

De nachten horen de sterstersterren, de

zwarte wolwolwolken en het aangaan

van de stormormormende zee

bij de zowat vergeefse waterweringen.

Horen het zachte huilen van Amsterdam

waar het eens heeft gelachen.

Advies aan de overheid

Wat gaan we doen: dijken verhogen, duinen verhogen?

Nee, een zeshoge en lange woonmuur bouwen van zuid naar noord,

met geld van waterstaat en banken en bouwers.

En de huizen verhuren, verkopen tot project ‘Waterweer’ gratis is

en Amsterdam een blije stad is vol van poëzie

temidden van een Randstad die met rust is gelaten.


By on 16:53